Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarin half weggedoken vruchtje heeft dikke wanden en ligt in den bloembodem geplant als de haren in de huid van den mensch. Het bovenste gedeelte, met een dun vliesje bedekt, steekt als een aanzwelling boven den bloembodem uit. Als het zaad volkomen lijp is, wordt de turgor in de buitenste cellenlaag van de dikke vruchtwanden grooter; de dunwandige top scheurt open, de dikke vruchtwanden sluiten plotseling aaneen en het tot nu toe door hen omhulde zaad wordt met kracht naar buiten geslingerd.

Een eigenaardig wegslingeren der zaden, of hier eigenlijk der zaadkernen, wordt ook waargenomen bij de Oxalideeën, waarvan de Gewone Klaverzuring, Oxalis acetosella, hiernaast afgebeeld in Fig. 3, 4 en 5, als voorbeeld moge worden gekozen. Hier ontstaat in de zaad huid een eigenaardig opzwellend weefsel, als inrichting tot het wegslingeren der daarin besloten kernen. Een der diepere lagen van de zaadhuid bestaat namelijk uit stijve cellen, en deze laag, die juist het opzwellend weefsel vormt, is sterk gespannen, terwijl de buitenste cellenlagen van de zaadhuid niet gespannen zijn. Als nu het zaad rijp is, heeft er een sterke opzwelling plaats in de celwanden van het toch al sterk gespannen, opzwellend weefsel; de buitenste laag van de zaadhuid kan den druk niet meer weerstaan, scheurt open en de aan de scheur grenzende randen van de buitenste laag rollen zich bliksemsnel om. Daardoor krijgt de omsloten zaadkern een krachtigen stoot en wordt door de zich onmiddellijk ervoor bevindende spleet der doosvrucht met groote kracht naar buiten geperst en weggeslingerd, zooals in Fig. 5 te zien is.

Sinds lang is ook bekend het wegslingeren der zaden bij de Balsamineeën. De vrucht van het hiertoe behoorende Gewoon Springzaad, hnpatiens Xoli tangen-, is eene uit vijf vruchtbladeren gevormde, langwerpig doosvrucht, hierachter afgebeeld in Fig. (i. De wanden van deze vrucht zijn opgebouwd uit drie lagen van cellen. Eén cellenlaag, namelijk die, welke onmiddellijk onder de opperhuid ligt, bestaat uit groote, sterk turgesceerende cellen en vormt de opzwellende laag. Zij verkeert in een hoogen graad van spanning, en als tegen den tijd, dat de zaden lijp zijn, de samenhang tusschen de vijf vruchtbladen langs de vooraf daarvoor ingerichte scheidingslijnen losser is geworden, is er daardoor gelegenheid tot ontspanning gegeven; het losser geworden celweefsel op de scheidingslijnen werdt verscheurd; de vijf vruchtbladeren rollen zich op en ten gevolge der snelle oprollende beweging worden de in de vrucht vervatte zaden naar buiten geslingerd.

De tot de Cucurbitaceeën behoorende soorten van het geslacht Momordica, dan Cj/ctanthera explodetw en Thladiantha dubia, alsook verscheiden Cruciferen uit de geslachten Dentaria en Cardamine, vooral de op blz. 228 afgebeelde Cardamine imi>atiens, in Fig. 5 te zien, vertoonen iets dergelijks, ulleen heeft bij deze planten de oprolling der vruchtbladeren niet naar binnen, maar naar buiten plaats. | Wat de genoemde Cyclanthera explodens betreft teekenen wij aan, dat deze tropische Cucurbitacee, die wel wat op onze Hegge rank, Brgonia dioica, gelijkt, en een vrucht ter grootte van een walnoot bezit, die bij rijping op vreemde wijze uiteen springt en de gevleugelde zaden meters ver

Sluiten