Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwijderen, uit de Gemeente Gods, waartoe hij naar zijn verborgen bestaan blijkbaar niet behoorde. Maar zegt gij: Petrus betoonde nog aan de mogelijkheid van zijn bekeering te gelooven. Ik zeg: zeer zeker. Maar tot op het oogenblik van zijn mogelijke, maar verre van zekere bekeering, kon hij niet geacht worden als naar zijn verborgen en wezenlijk bestaan, te zijn van de Gemeente. Zijn onwedergeboren staat kwam hier duidelijk uit voor het oog van een ieder. En nochtans bespeuren wij niets er van, dat de Kerk nu ook uitwendig van dezen zou bevrijd geworden zijn. Integendeel, veeleer verkrijgen wij den indruk, dat hij, indien hij maar niet meer door zijn dwaasheid de zaak Gods benadeeld heeft, rustig in den uitwendigen kring der Gemeente, d.i. in de zichtbare of geïnstitueerde kerk, gelaten is.

Wat het zichtbare of uitwendige lichaam betreft, of „de geïnstitueerde kerk", daar behooren de bloot uitwendige belijders, zoo zij zich niet volhardend in leer of leven misgaan, terdege i n, daarvan zijn zij werkelijk leden. Indien zij het niet waren en hun lidmaatschap van de Kerk naar haar uitwendige verschijning en vorming, de wedergeboorte onderstelde, dan zouden zij, indien men hen leerde kennen naar hun verborgen bestaan voor God, daaruit moeten verwijderd worden.

Dat zulken uit de kerk zouden moeten verwijderd worden, indien men hen werkelijk en zeker kon doorzien, dit leert de Schrift niet. Veeleer onderwijst de Schrift, èn wat haar voor beelden betreft, èn wat aangaat haar leer, ter zake van de Kerk naar haar uitwendig en tijdelijk bestaan, ganschelijk het tegendeel.

Van de Kerk zelf zijn zij niet in vollen en eigenlijken zin en op geestelijke wijze leden. Van de Kerk naar haar uitwendig-zichtbaar, naar de regelen van Gods Woord, door de meuschen geïnstitueerd bestaan, zijn zij wèl leden jn vollen en eigenlijken zin. Gelijk zij dus in geestelijken zin buiten de Kerk naar haar verborgen bestaan vallen, zoo vallen zij binnen de Kerk naar haar uitwendig en

Sluiten