Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NU GIJ VER WEGZIJT.

Nu gij ver wègzijt, komen al de nachten Sluipen door schemerstraat, arm en gehavend,

En zij die vroeger zielsverblijden brachten,

Beedlen aan dichte deur in laten avond.

En als ik stille paden wandel, loopen

Dagen mij na met uitgestoken handen,

Dat 'k voor mijn goud hun poovren praal zal koopen,

Prijzend hun waar met stemmen van ellende.

Maar als een spreekt van u of noemt uw naam, Als ik een balling uit dat land regaal Waarover gij heerscht, zitten we uren saam Praten van u aan rijk herdenkensmaal; Needrig-aandachtig luister 'k aan zijn voet,

En leid hem uit zooals men koon'gen doet.

Sluiten