Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXIX.

Tranen tot spijze!

Het heeft mij steeds getroffen, dat men in de strafgevangenis zoovele „vromen" ontmoet, en dat van daar uit zoovele vrome brieven geschreven worden.

Nu zal ik de laatste zijn om te beweren, dat, indien men daar eens een vrome mocht ontmoeten, deze dan een huichelaar is. Maar wèl durf ik staande houden, dat bijna alle „vromen", die daar zijn, groote deugnieten zijn, die alleen vroom doen of schrijven, om de oogen der ouders of betrekkingen te verblinden, öf omdat het, naar zij meenen, kans geeft op voordeel of om een doel te bereiken.

Onder die „vromen" zijn er, die al dadolijk doen hooren, dat het klanken zijn en niets meer. Hunne spraak maakt hen openbaar. Maar er zijn er ook, die zoodanig eene gedaante van godzaligheid betoonen, dat men s^taat voor de vraag: heb ik hier te doen met schijn of met wezen?

't Zijn geen aangename lui om mede te spreken, vooral niet, wanneer zij de spraak kennen.

Wij hebben reeds met zoo iemand kennisgemaakt, maar wij zullen er nog een paar bezoeken.

Bij ons binnentreden in het gebouw kreeg ik van een der bewaarders de boodschap, dat 196 zich voor mij op 't rapport had doen zetten, en „of ik niet wilde verzuimen, bij hem te komen".

Wij gaan er dus dadelijk heen. Het is een jonge man. Blijkbaar is hij zeer onder den indruk hier te zijn; hij is tenminste zeer bedroefd. Zijne tranen zijn hem tot spijze, dag en nacht. „Schreiende", zoo klaagt hij, „word ik wakker en schreiende ga ik naar bed; schreiende doe ik mijn werk, en eten is mij niet mogelijk, het is of ik een brok in de keel heb; slapen kan ik niet; den ganschen nacht breng ik door in

Sluiten