Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op ging: Waar kan toch een mensch toe komen?

Zoo iemand vinden wij ook hier in deze cel.

Het zal u misschien wel wat raadselachtig schijnen, maar toch is het zoo: deze man is geen misdadiger, ten minste niet in den zin, waarin dat woord verstaan wordt.

Zeker, hij is niet voor zijn goeddoen hier. De rechter straft niet onverdiend, en nog geen oogenblik heeft deze gedetineerde er over gedacht te beweren, dat hij zijne straf niet verdiend heeft. Maar nog eens, een misdadiger is hij niet. Hij is een strafschuldige.

Tusschen die beiden is een groot verschil. De een pleegt zijne overtreding, omdat hij die beschouwt als levensvoorwaarde, terwijl de ander zich strafschuldig maakt, omdat hij zich van zijne handelingen geene voldoende rekenschap geeft.

De man had zijne zaken in een klein landstadje. Stilletjes was hij, wat men noemt, vooruitgeboerd, dank zijne bescheiden eischen voor eigene levensbehoeften.' Societeit- of koffiehuisbezoek was hem totaal vreemd. Zijn grootste genoegen vond hij in den huiselijken kring en op zijn kantoor.

Het was een bijna ideaal-gezinnetje. Liefde en aanhankelijkheid, de een voor den ander, was als 't ware het een en al voor ouders en voor kinderen.

Zij leefden overeenkomstig hun stand; niet hooger. t Alleen werd zorg gedragen, dat de kinderen goed onderwijs ontvingen. Dat noemde hij het kapitaal, dat hij hun wilde nalaten. De dochters waren geene Salondames, maar van moeder hadden zij geleerd Dame te zijn, maar ook de wasch te doen, en alles te verrichten wat in een huishouden voorkomt.

Van ouders en van kinderen mocht gezegd worden, dat zij geacht en geëerd werden door ieder, die hen kende. Te meer, omdat de man bij al zijn lust tot werken en eenvoud van levenswijze, zoo gaarne de hulp en vraagbaak was van ieder, die tot hem kwam. En heel wat benauwden en benarden werden, zoo

Sluiten