Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Noch de directeur, die bij kleine overtredingen zelf straft en bij grootere vergrijpen voorloopig in de strafcel (cachot) plaatst; noch het college van regenten, dat de grootere straffen oplegt, hadden ook maar eenige schuld, dat hij soms zooveel dagen strafcel kreeg, de een dadelijk gevolgd op de andere en geregeld „gesloten" d.w.z. in de boeien, met om den anderen dag water en brood, en bovendien met beroovingvan licht. Men was voor dezen man letterlijk ten einde raad.

Wat heb ik menig kwartiertje met hem in de strafcel doorgebracht. Als hij weer eens 14 of 28 dagen had gekregen, ging ik hem weer eens bezoeken, om hem zoo mogelijk tot andere gedachten te brengen. Het gaf echter zoo bitter weinig. Als ik hem vroeg of de bewaarders of de directeur hem naar zijne meening soms „zochten", dan was zijn antwoord beslist ontkennend. Dan trachtte ik duidelijk te maken, dat hij toch zoo verkeerd deed, zich te verzetten tegen eene macht, die niet gemist kan worden en die het hem allerminst moeilijk maakte, en dat hij tenslotte toch zou moeten buigen, goedschiks of kwaadschiks. Doe het — zoo zeide ik hem — doe het dan maar, niet uit ontzag voor de bewaarders, maar voor je eigen bestwil. En dan had hij oogenblikken waarin ik meende, hem overtuigd te hebben; dan luisterde hij kalm en als 't ware tot zichzelven ingekeerd; hij gaf mij dan volkomen gelijk, sprak er zelfs zijne blijdschap over uit, dat ik hem met zooveel geduld had willen blijven bezoeken en beloofde, dat hij de bewaarders niet meer zou uitschelden of moeilijk vallen.

Maar, ai mij, als het op de practijk aankwam! Op zekeren middag zat ik weer bij hem in de strafcel op de brits, terwijl hij ook daarop zat, maar zwaar „gesloten", d. i.: in de boeien. Ik sprak met hem over het treurige van zijn toestand (het was weer midden in den winter); hij gaf mij toe, dat hij hier niet zoo behoefde te zitten, hij was dankbaar, dat ik weer een oogenblikje met hem kwam spreken, want dat kortte

Sluiten