Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van der Thijnen.

Te Groningen! De stad, die aan zoovelen Uit onze Landschap reeds een schuilplaats bood, Toen Munsters stout geweld hen van hun erf Verjoeg, houdt zeker evenmin voor ons Haar poort gesloten.

Anneke.

Word' de achterdocht Der wacht, hiér aan de poort, maar niet gewekt, Als ze ons met man en maagd, geheel reisvaardig Voorbij zien trekken! Och, als 't eens mislukte!

Van der Thijnen. Ook daarvoor komt wel raad. Met goeden moed De kans gewaagd! God helpt, — zoo weet gij toch, — Wie zelf zich helpt. Doen wij het onze maar, — Hem geven we in vertrouwen de uitkomst over.

ACHTSTE TOONEEL.

De vorigen. Vaandrig Herman, haastig binnentredende.

Fenna.

Mijn hemel, — Herman!

Anneke (ter zijde).

Nu is 't te laat, reeds! Gewis zendt hem de bisschop met bevel...

Herman.

Vergeef me, dat 'k onaangemeld mij hier Vertoon, en laat mijn komst u niet ontstellen! Ik kom als vriend; — mijn handslag tot een pand!

Van der Thijnen.

Maar, wat dan voert u herwaarts? mag ik vragen.

Sluiten