Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van der Thijnen.

'k Ben ook maar Schoolmeester van beroep en tevens koster;

Doch liefde had ik van mijn kindschheid reeds Voor de ingenieurskunst; — en wat 'k sinds daarvan Mij eigen maakte, 'k dacht het ware 't best Ten dienste van mijn land en volk besteed;

In de eerste plaats: der stad, die me in haar schoot Als burger vriend'lijk opnam, en wie thans Een vreemd geweldenaar den vuigen voet Gezet heeft op den nek. Ik acht dat plicht,

Ik acht dat roeping, edel heer, van Boven.

Die stad verlost te zien uit 's vreemden klauw,

Ziedaar mijn eenige eerzuchtl

Rabenhaupt.

't Dunkt u dus Geen ijdel waagstuk? En gij ziet er kans toe - 't Feit te volvoeren?

Van der Thijnen.

Ja! dat zie 'k, zoo waar Ik aan den hemel, daar, die zon aanschouw, —

Mits gij met krijgsliên mij ten bijstand strekt,

En — God mij zegent.

Rabenhaupt (terwijl hij naar de deur gaat en daar een grendel voor schuift).

Maar ontvouw me dan

Uw plan!

Van der Thijnen (de plattegrondsteekening van Koevorden ontrollende en voor Rabenhaupt op een tafel uitspreidende.)

Uw edelheid geliev' het oog Hier op deez' schets te slaan. Ze stelt de vest U voor, met al haar bastions en wallen,

Sluiten