Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE KWESTIE DER BELIJDENISVRAGEN.

Wanneer wij nu de beide beginselen, wier aard en wezen ik heb trachten te schetsen, toepassen op de kwestie der belijdenisvragen, dan komt het mij voor, dat ook hier het onvereenigbare der beginselen aan het licht treedt. Wat door het ééne beginsel moet worden nagestreefd, het moet door het andere bestreden worden. Het transigeeren tusschen de beide beginselen, op deze kwestie toegepast, moet onvermijdelijk leiden tot een schipperen, tot een halfslachtigheid, die ten slotte geen van beiden kan bevredigen. En het is hier vooral, waar de gedachte op den voorgrond treedt, die ik in 't licht wenschte te stellen, en die voor mij de aanleiding was tot het schrijven dezer brochure. Ik meen, dat de volle aanvaarding en toepassingvan het ethisch beginsel onvermijdelijk moet voeren tot een breken met de schipper- en plooi-methode, die in onze reglementen heerscht, en die misschien uit praktisch oogpunt wel zeer aanbevelenswaardig is, omdat het een modus vivendi geeft voor de elkaar bestrijdende partijen, zonder dat de kerk uiteenspat, maar die theoretisch beschouwd feitelijk een Christelijke kerk onwaardig is.

Is het te kras gezegd, wanneer S. K. B. in „de Hervorming" over art. 39 en de daarin voorkomende clausule over „geest en hoofdzaak" schrijft:1) „Die vragen moeten gesteld worden. Maar ze behoeven niet gesteld te worden. Alleen moeten de vragen, die men doet, den geest en de hoofdzaak der regle-

i) De Herv. No. 5 van dit jaar, bl. 41.

Sluiten