Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is de eigenlijke bron van genoegen of ongenoegen, van neerslagtigheid of vrolijkheid.

Wanneer salomo den mensch, die geduriglijk vreest, welgelukzalig noemt, dan denkt hij aan geen geluk, dat uitwendig vertoon maakt, maar dat inwendig wordt genoten; aan de rust des gemoeds, de tevredenheid der ziel, het onwankelbare des vertrouwens bij de stormen des levens, aan de vrijmoedigheid voor God, den moed en de • hope in het uur van sterven. Deze zijn de schatten, de rijkdommen, zonder welke aan geen geluk gedacht kan worden. Zij zijn het deel des hier bedoelden Godvruchtigen. Niet dat hij het altijd, dat hij het volkomen zou genieten. Want de tegenspoeden, waaraan men hier is blootgesteld, hoeveel vertroosting men er ook onder ontvange, kunnen niet nalaten smartelijke gewaarwordingen te verwekken: ook de allerheiligste hebben slechts een klein beginsel der volkomenheid en voeren een bederf met zich om, dat zich gedurig tegen hunne vorderingen blijft verzetten. De strijd die hieruit ontstaat en het gebrek aan volkomene overeenkomst met Gods bevelen, verwekken hun dikwijls moeijelijke en droefgeestige oogenblikken, benevelen vaak hunne vrolijke vooruitzigten en verdonkeren niet zelden de gronden van blijdschap en troost, die zij waarlijk bezitten. Maar dit is het wat hier beweerd wordt, dat zij in dit leven veel gelukkiger zijn dan die hunner medemenschen, welke de hier bedoelde heilzame vrees niet kennen, dat de som van hun geluk die van hunne droefenissen verre overtreft en dat zij gelukkig zijn, voor zoo ver zij dit in dezen staat van onvolkomenheid wezen kunnen. En zietdaar! wat zich bij eenig nadenken als ontwijfelbare waarheid kenbaar maakt. Bestendige vrees voor de zonde is een bron van waar geluk. Want, de mensch, die geduriglijk vreest

Sluiten