Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Schrift. Wat kunt gij dan verwachten, die steeds des Heeren raad hebt verworpen en Zijne bestraffing niet gewild? Zal het niet regtvaardig zijn, zoo Hij u aan verharding , overgeeft, Zijne oordeelen over u en de uwen uitstort, en u eenmaal bij uw sterven voor altoos verwerpt van Zijn aangezigt? Wat zal het zijn, wanneer gij alzoo op uw doodbed wordt gebragt? Zal dan uw rijkdom u bate geven, zult gij u dan ook in uwe wellusten baden, zullen dan uwe vrienden u redden ? Zult gij dan, die den dag des doods verre steldet, en den tijd uwer bezoeking niet bekendet, met SiMEQN ook verlangen naar de ure der ontbinding, naar de eeuwige beslissing van uw lot? Wat zal uw lot zijn? Misschien wordt op uw doodbed, zoo God u dat nog schenkt, de smart des eeuwigen jammers reeds ondervonden. Maar gij wordt voor Gods regterstoel gesteld, en gij staat daar als een kind des toorns, als een dienaar der zonde; als een versmader Gods en van Zijnen Gezalfde; en wat is het dat gij hoort als vonnis ? Niet: Komt, gij gezegenden mijns Vaders! beërft het koningrijk; gaat in, in de vreugde uws Heeren; maar: Gaat weg van mij, gij vervloekten! in het eeuwig vuur, dat den duivel en zijne engelen is toebereid. En daar, daar draagt gij dan de vrucht van uwe zonde, en beklaagt het, doch te laat, dat gij den tijd uwer voorbereiding tot sterven in de ongeregtigheid verspildet. Dan wenscht gij den schoonen tijd, de gunstige omstandigheden terug; maar 't is te laat, voor eeuwig te laat! Het vuur in uw binnenste ontstoken is een eeuwig vuur, en het verderf waarin gij nederstorttet, is een eeuwig verderf; en wat gij ook klaagt, en waarover gij ook jammert , en waarnaar gij ook verlangt, alle hoop is voor u afgesneden , en geen druppel waters ter verkwikking wordt u geschonken. Nog is het niet te laat; nu is nog de tijd der voorbereiding: maar wilt gij in den weg der zor.de voortgaan, zoo is er geen verwachting. Och! mogt gij nog Gods stem hooren, die zoo liefelijk nog klinkt: Wendt u tot mij en wordt behouden; al wie tot mij komt zal ik geenszins uitwerpen; dit is een

Sluiten