is toegevoegd aan uw favorieten.

Menschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Wat dan? Melk? Koffie?...

— Slechts water en Balsera... 't Is alles op, Mijnheer.

— Dan zullen wij maar een borreltje Balsem gebruiken... Zit neer, Madame, hier op de tafel.

De coiffeur zat op de valies en leunde tegen den toog, een tweede Balsem gaf hem nog een weeër gevoel van dorst terwijl hij, half ingedommeld, het tiktakken hoorde der huisklok en het geronk der slapers. Maar spoedig klonk weer het alarm buiten en joeg de angstige menschen recht. Zij sjokten voort langs de baan met drogen mond en angstig hart.

Voor hen liep een familie met volwassen dochters, die onder elkaar kibbelden over verloren zijden regenschermen met zilveren krukken, ergens in een gracht gevallen.

De morgen kwam in de lucht met leepen glans en zonlicht dat vocht tegen den dauw. Voor de eerste maal bekeek de coiffeur zijn gezellin, zoo wisselvallig op zijn levenspad geplaatst. Zij was een frissche blondine met blauw-onschuldige oogen. Een deftige vrouw, bedacht hij, wie laat nu toch zoo'n jonge vrouw alleen achter in een belegerde stad. Haar zwart kostuum, mogelijk haar trouwkleed, zit haar goed aan het lijf, en zij draagt reeds een aardigen winterhoed. Schoon zijn toch onze Antwerpsche vrouwen, oordeelde de coiffeur; en wat flink postuur!

Marie, ietwat gegeneerd onder zijn blik, keek nu ook haar begeleider aan. Een ferme vent met fraaie snor, meende zij, een ordentelijk man, een echte Mijnheer.

— Mijn haar zal wel in de war zijn, opperde zij.

— Och dat kan nog al gaan, en daarbij wie let daar nu op.