is toegevoegd aan uw favorieten.

Menschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik zoo roekeloos en dwaas dit mooi bezit te vergeten! Nu lijkt het alles wel een erf gift me door een verre oom, een bloedverwant van over zee nagelaten, die eens, zuinig als de voorzienigheid, schatten en rariteiten verzamelde en ophoopte, om er mij mee te bedeelen. Schamper toeval! Ik zelf bouwde de voorraadschuur waaruit ik putten ga. Hoe kon ik de wondere nachten vergeten en de nachtraven, in den rustigen tijd na de dagen toen ik mijn wilde haren verloor, schrammen en builen opliep in het leven en krachten verspilde of mogelijk mij sterkte in onbezonnen daden of schijnbaar nuttelooze pogingen.

Ja, ik merk het thans, 't was telkens de triestige morgen die me lang nadien beklemde en ontnuchterde. Zoo'n leege stemming had ik immer wanneer ik keerde van een feest, en de feestroes, eens op straat, onder open lucht, steeds tot lusteloosheid verzuurde. Liefst vergat ik dan maar gauw de opgejaagde vreugdmomenten, liet het al in herinnering beschimmelen. Nu ik het fijn bedenk en napluis in de snel vervaagde geheugenissen, dan is het vast de schuld der leepe, schemerende morgenuren, wanneer wij een beetje vaal bleek, rillend in den frisschen uchtend, plots vereenzaamd en vervreemd van elkaar, elk onzen eigen weg gingen in den doolhof van straten! Niets heeft me ooit wreveliger gestemd dan op den verlaten weg naar huis een arbeider te ontmoeten, die naar zijn werk toog; ik gebaarde telkens hem niet te merken, drentelde wat haastiger voort, begluurde hem tersluiks, alsof ik iets in zijn oogen had kunnen lezen. Nooit had ik dat naar gevoel wanneer ik een politieagent, een nachtwaker of ander nachtvolk op mijn weg trof. Zij waren veel - begrijpende en vergevensgezinde vertrouwelingen, medeplichtigen. Andermaal was het de spotla-