is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NatuÖMijk vragen wij ons af waèfom De Swaen met dit ongunstige oordeel over de rederijkersgilden er toch lid van bleef en er verkeerde. Hij voorkomt deze vraag.

'k Beken myn oordeel spreekt myn eigen werckea tegen; Wal wilt gy, 'k sie het quaet en ben er toe genegen

Als verontschuldiging voert De Swaen aan, dat hij op de Rhetorica alleen het gezelschap zocht van « ses, seven medebroers gelyk van geest met (hem) » (4).

Genegen, niet tot drank, maer tot de poësy

En mits hel noodigh is somtyds de boogh t'ontspannen,

'k Ontspan hem noyt soo wel dan met die lieve Mannen,

By wie ik, met een liet den tragen tydt bedriegh

Of met een soet gedicht de ziel in slape wiegh.

Maer, als ick, by geval, hun bysyn com te missen,

Dan can men uyt myn oogh, myn ongenoegen gissen (*).

Uit dit alles blijkt, dat De Swaen iets in zich droeg, dat hem van de meeste andere rederijkers onderscheidde. Hij had oprechte liefde voor de kunst, hij vond er zijn hoogste genot in. Van de rederijkerskamers had hij eene hoogere opvatting dan, die destijds de algemeen heerschende schijnt geweest le zijn. Waar de Kamers zijne kunstliefde hielpen en steunden en hem gelegenheid gaven om zich met poëzie en gezang te vermeien, bleef hij er ook trouW aan verkleefd, maar waar ze vervielen tot ijdele wederzijdsche bewierooking, bevordering van verwaandheid, kleingeestige vitterij of grove slemperij zonderde hij er zich onbevredigd van af.

In den dienst zijner liefde tot de poëzie stelde De Swaen zijn grooten werklust. Wij hebben hier niet zoozeer de aanzienlijke reeks gewrochten van De Swaen op het oog, maar wel de hoeveelheid werk, die hij besteedde aan het vijlen en polijsten zijner verzen en de studie, die hij wijdde aan de toenmalige wetten en regels der kunst.

(4) Hs. van het Comité flamand de France. Sendbriefaan Sr G. D. D.

9