is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Michiel de Swaen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bereid kon wijden. Hij wilde niet als een « ongetoomt paert in het wilde rennen ». « Zyn genegenheit en yver wilde hy, zooals Vondel het in zijne Aenleiding tot de Nederduytsche Dichtkunst voorschreef, met behulp van de kunst en leeringe laten breidelen. » Deze Rymkonst bewijst vooral, dat De Swaen zich in geleerdheid voldoende boven zijne broeders in rhetorica verheven gevoelde om onder hen als leeraar op le treden, om hun de theorie der kunst te ontvouwen en hare hooge roeping voor te houden.

De denkbeelden, die De Swaen in zijne Digtkunde over den oorsprong en het wezen der poëzie ontwikkelt, zijn dezelfde, die hij vroeger in zijn Lof der Rymkonste op rijm bracht voor den prijskamp der Drie Santinnen. In dit gedicht leeren wij, dat de oorsprong der poëzie in God ligt. Hij leerde aan Adam « de maet, de stellingh en 't gheluyt van ieder lettergreep » en «c ley den regel uyt om naem en woorden t'saem te schicken naer de reden » (*). Later werd het rijm uitgevonden door « Adams kinderen in 't schryven onervaeren », die « tol beter heughenis de woorden (deden) paeren » (*). Dezelfde beschouwingen over de geschiedenis der poëzie treffen wij in de Voorrede der Digtkunde aan. Daar de poëzie haren oorsprong in God heeft, moet zij vooral dienen om hem te loven : « Ghelyck sy quam uyt Godt soo gaet sy lot hem keeren (*). » Zoo komt De Swaen logisch tol het besluit dat de poëzie alleen lofzangen ter eere van de Godheid en didactische werken tot stichting der menschen mag voortbrengen. Opdat de poëzie tot haren oorsprong terugkeere moeten wij « rymen en gesangen t'saemen stellen: ten l«ten tot lof des Allerhoogstens, die van den beginne tot heden in alle eeuwen dese konst sich heeft toegeëygent om door haer naer t' uytwendigh met alle monden en taelen gelooft en gesegent te worden, ten 2den lot stichting en verheuging der menschen, met behagelycke, en uytdrukkelycke voorstellingen van de schoonheyt der deugt en mismaektheyd der ondeugd; om aldus te vervoorderen de verbetering der zeden en de gezetenheyd des herten (2) ».

(*) Zedelycke Rymwercken, blz. 98. (s) Digtkunde. Voorrede.