is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik vrees, dat de lezer er nog niet achter is; en de tweede strophe dicht over den „koperling" verder (zonder nochthands ons te vertellen, wat ook die „koperling" is!) De derde kwatrijn doet ons begrijpen: het gedicht gaat over een oude vrouw, die op een aschbelt naar rijst ligt te graaien. Ik kende dit beroep niet, maar dat is minder. „In deze tent" kan dus geen anderen zin hebben dan dezen, sarcastischen, dat de dichter zijn verschillende slachtoffers als rariteiten op 's levens kermis vertoont. Als een rariteit: „de moeder van de menschheid"! Immers, elke vrouw kan de moeder worden van vele geslachten; het vrouw-zijn op zichzelf is eene waardigheid. — De uitdrukking echter is alleronbeholpenst. Wijst bijv. haar tastend handje den weg aan, of haar oogen?

Intusschen is hier dus een Vrouw, die dag aan dag, voor „honderd spieën per week, op de mestvaalt ligt rond te scharrelen; een Vrouw:

„Zij heeft een rechter en een linker hand,

Twee oogen, mond en hart, een schoot, en knieën."

En dan bezingt de dichter, welke schóónheden dat zijn aan den mensch: de handen; de mond; de oogen!

„En al die dingen zijn geen duit méér waard Voor deze vrouw, die zich weet uit te rekken En uit de belt van stof de korrels (te) trekken, Dan honderd koperlingen, wèl gegaard."

„Maar onze handen zullen eens afrukken De wereld uit zijn voeg...."

En onze handen, onze oogen, onze monden, — dat is dan weer het Socialisme, dat alles omver zal halen wat niet deugt, en een betere wereld stichten. Het is te hopen, dat het socialisme tegen dien tijd