is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Lichtende golven" is de veel lévendiger en dus dichterlijker titel der tweede. In de eerste af deeling, hoewel enkele betere verzen als „Kentering" en „Vereeniging" niet ontbreken, — vindt men nog telkens gedichten als „Iterumque", die niet voortbewogen worden op de stuwende golven der ontroering, maar in een draaikolk van woorden, woorden, woorden, verdrinken.

„Mij heugen nog zoo droef de dagen,

Dat, als een fakkel uitgebrand,

Het licht in de eigen walm ging vagen En 'k eenzaam voorttrad lang het strand.

V

En bitter dacht ik: „dit is 't leven, Een droom, die walmen, anders niet, En droom en walmen saamgeweven Met grauwe draden van verdriet.

Wijl kille, scherpe winden waaien Om 't kleed van droom en walm en leed, Zal 'k tóch nog volle korrels zaaien,

In hoop dat God ze groeien deed!

En in dit slepend, zwaar te torsen Gewaad van leed en droom en walm Zal 'k later 't looze koren dorschen,

Maar o, op 't kaf de doffe galm!

En in diezelfde grauw-geplooide Kleedij van walm en leed en droom Als 't laatste Zonlicht nederglooide.

Zal 'k roepen tot de dood: „O koom!"

Stophen zoo larmoyant en tegelijk zoo monsterlijkgaaf als deze, zouden volstaan, om iemand voorgoed genoeg te doen krijgen van dezen poëet. Het is rhetorica van de allerslechtste soort: niet alleen dat die