is toegevoegd aan je favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bladzijden gereed. De toon is ditmaal bewogener, de regels prangen van den beeldenrijkdom, de versificatie is van een ongeloofelijke gemakkelijkheid, maar ai, wat is de eertijds fijne toon vergroofd, welk een valsch vulsel zijn de beelden menigmaal, en hoe heeft de versificatie zelfs alle Verweysche kostbaarheid verloren.

„Maar dan opeens is daar een regelpaar, een strophe, een eigenaardige cello-streek, die ons zeggen, dat hier nog steeds een leven om uiting streeft; een leven echter, dat doorgaands te zwak blijkt, om de al maar hoogere vers-allure te vullen. P. N. van Eyck is mij het voorbeeld van hoe een jong dichter zijn dichterschap verschrijft".

En nu, van deze beide bëoordeelingen, geschreven verscheidene jaren vóór de heer Van Eyck een woord op het papier zette aangaande mijn critisch werk, — sla ik een brug door de lucht, over zijn schrijven in „De Beweging" heen, en vervolg mijn keur- en speurtocht door zijn kunst, met een korte bespreking van dezen nieuwen bundel „Gedichten", Wie mijn bizarre neigingen een weinig kent, weet dat niets mij méér zou aanstaan, dan thands van dezen bundel iets goeds te kunnen zeggen.

Welnu, dat genoegen mag ik mij gunnen. Tegenover zijn eerste vier bundels in vier jaren, heeft in de volgende vijf jaren de dichter dit ééne boekje, zijn vijfde, voltooid, — zijnde nog geen honderd-en-vijftig blijdzijden verzen. Deze zelfbeperking op zichzelve spelt al een belangrijke verbetering, — een verbetering, die inderdaad aanwezig blijkt, en wel in den vorm van: een teruggang tot meerderen eenvoud, een afwerpen van een veelal bombastisch wordenden woordenpraal, een verinniging én een verscherping van zijn geluid.

Het spreekt wel vanzelf, dat zulk een inkeer zich niet op eenmaal voltrekt. „Het ronde perk" heet nog, geheel cerebraal, de eerste afdeehng van den bundel:

12