is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men." En als het waarschijnlijke kenmerk van dien persoonlijken vorm, wees ik een zekere „zachte felheid" aan, „nü nog verzwakt soms door de te-volheid en langgerektheid van den beginneling." „Onmiskenbaar decadent" eindelijk, leek mij de tegelijk cerebrale en sentimenteele gedachte, zijn „doolhof" te „tooien".

In een eerste kunstuiting kan men niet meer dan de aanwezige bestanddeelen aanwijzen. In welke mate en in welke onderlinge verhouding die zich in rijper werk ontwikkelen zullen, moet de tijd leeren. Bij de ontwikkeling van P.' N. van Eyck's poëzie zouden de minder gunstige bijkomstigheden voorshands machtiger worden dan de fijne verdiensten. De „zachte felheid" bleef wel smeulen en gloeide nog bij tijd en wijlen dan in zijn vers; maar de te volheid en de langgerektheid bleken minder den beginneling te hebben gekenmerkt, dan wel juist den zóó knappen verzenmaker, dat allengs geen technische moeilijkheid voor hem scheen te bestaan, en hij zich maar vlotten het op den stroom zijner rijmen en nimmer weigerenden maatgang. In weinige jaren volgden drie nieuwe en steeds omvangrijker bundels, en aldus besprak ik die in „De Gids" van 1913:

„Maar dat P. N. van Eyck, die toch begon als een niet al te sterk maar fijn talent, waarvan men alleen moest opmerken, dat deze beginner bijna te knap was, zich onder de weelderig wassende rhetoriek, waartoe die knapheid leidde, bedolven en — bedorven heeft, dat lijdt geen twijfel.

„Men zag 't aankomen in „Getijden", dat boek druipend van tranen: hoe elegant elk weenend vers, volkomen onbewogen, tot zijn opvolger gleed! Fijn gevonden beelden, mooie regels ontbraken niet, wat men miste, was het accent der waarachtigheid, de diepe kneuzing, Het gedicht „De Sterren , daarop, was tot één fraaie rethorica verstard. Thands heeft hij alweer •een nieuwen bundel, van welhaast derdehalfhonderd