is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch dit mag niet wezen: de daad eischt haar op: „Altijd in d'oude tegenheên gevangen!

„Droomen kan de wereld niet opwaarts tillen, en zijn wij dadig, gaat de droom verloren:

dat is de smart, welk water kan haar stillen?"

En de vereenzelviging van droom en daad wordt haar groote begeerte:

„Dat ik eenmaal mijn daad als een gedicht in de wereld zag glanzen stil-verheven,

dat ik mijn droom zag vliegen door het leven als een ster door 't heelal vliegt, bron van licht!

Ja, die dag zou mij opstaan goud-gemond,

Mijn ziel zou hem met liederen omkransen,

Mijn hart zou voelen, dat een wond genas, die bloedde vele jare', een levens-wond"....

Dan vraagt zij: hoe is het, dat droom en daad niet te vereenigen zijn? Het is omdat de Liefde niet groot genoeg is in ons.

En dan vindt zij het eene, waarin droom en daad tot één herboren worden: het offer, — wanneer de Droom der Liefde stijgt tot de toppen van den „stralenden Dood" en Daad wordt in het martelaarschap:

„De moeder van het leven is de dood,

Maar d'offerdood de moeder van het leven, dat opwaarts stijgt: zoo wil het de verheven wet ondoorgrondelijk, die zich ontbloot

in 't worde'! En als die wet menschheid verdroot, ging de baan van het menschelijke streven onder in nacht, maar waar ze werd geschreven in daden, bloeide een menschlijk morgenrood.

13