is toegevoegd aan uw favorieten.

Mijn Brugge

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V.

Maar, God, kan 't wanbedrijf u wel belusten,

En staaft gij 's boozen euvelmoed?

Zal de aarde waar rechtschapen mannen rusten

Door grootsche opoffring vaak bebloed,

Gedwee den last dier heiligschenners dragen,

Niet scheuren onder hun gewicht?...

Maar neen, geen wanhoop; eene zon zal dagen

En iedre nacht stort in voor 't licht. —

Gelijk een wandlaar dwalend door het duister

Die eens een heerlijk puin ontmoet,

Getuigend van vervlogen roem en luister,

Blijft staan, als door een' woesten vloed Door zijn gedacht vermand, en denkt, o eeuwen,

Aan wat er van uw grootheid rest, —

Mistroostig wordt als hij hoort de uilen schreeuwen

Bij 's aadlaars rustig slapend nest;

Zoo jaagde ons ook het aanzien van het heden

Mistroostigheid in 't bange hart.

Maar als de wandlaar waren wij vergeten,

Dat hier geen nacht duurt of geen smart; Dat uilen slechts hun bang gekrijt doen hooren,

Totdat het alles weer ontwaakt;

Totdat in 't Oosten weer de zon zal gloren,

Waarbij opeens hun schreeuwen staakt.

Dan ziet men d'adelaar het oog ontsluiten,

En weêr betooverd door haar gloed,

Op forsche wiek, in 't vliegen niet te stuiten, De Zonne snellen te gemoet! —

1866.