is toegevoegd aan uw favorieten.

Nelly Degenstein

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

knikte ontkennend. „Nou, doar 'eb ie er dan iene veuruut, wij zullen ze te middag bij de thee ers keuren, moar 't zal wel goed wezen, Meu Anne wet wel wat lekker is." Ze klom bij haar beschuittrommel en legde daar de overigen in. „Nou worden ze niet slof" (vochtig), zei ze. „En nou kun wij d'er ook niet bij," zei Beertje. Brechtie lachtje. Zoo nu en dan keek ze steelsgewijze naar Nelly; ze vond haar aardig en ze wilde wat zeggen, maar ze wist niet w£t. Doch Nelly had spoedig het ijs gebroken. Toen ze merkte, dat Brechtje den geheelen morgen mocht blijven, zei ze; „o, dan ga je zeker ook mee naar de Vosjacht?" Brechtje kreeg een kleur van genoegen. „Ik wil wel geern," zei ze, „as Om Geert 't lieden wil." „Joawel," zei Stijntje, „dat is 'om nog makkelijk, meachien ! dan kun ie Annechien over de vonders leiden !" Brechtje ging nu met de kinderen wat spelen en toen een poosje later Geert met „deroó" thuis kwam, liepen de kinderen op een draf naar buiten.

„Ik wil zien of 'ij goed op de wal kan springen," riep Annigje. De roó was n.1. gehaald met een bok, een groot, plat vaartuig, bestemd om zware lasten te vervoeren. Geert maakte eigenhandig de twee stikken goed vast en toen hij het touw had los gemaakt, waarmee de koe was vastgebonden, sprong het dier zonder eenige moeite op den wal. Geert klopte hem vriendelijk op den rug. 'IJ kan 't nog wel, hè?" zei hij, „en ik geloove, dat 'ij de weg nog wel wet." De roó liep