is toegevoegd aan uw favorieten.

Nelly Degenstein

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheen hij telkens op het punt in te slapen, hetgeen echter herhaaldelijk door nieuwe schokken van het rijtuig mislukte. De weg was vrij eentonig, hier en daar wat huizen, wat boomen en verder alleen weilanden op zij van den smallen dijk. Eindelijk reden ze langs een groot water en de koetsier, die den geheelen weg over eerbiedig gezwegen had, keerde zich om. Het raampje achter zijn rug stond half open, zoodat hij gemakkelijk met den burgemeester kon praten.

„Dit is het Belter Wijde, mijnheer!"

„Zoo, 's jongens, dat is een heele uitgestrektheid water hoor!"

„Ja, mijnheer en daar rechts van den weg is het Zuider Wijde." De burgemeester keek naar rechts. Waarlijk, ook daar was een groote plas, al kwam die niet in vergelijk met het eerstgenoemde meer. „En zoo meteen, als we bij „de Blauwe Hand" den hoek omslaan, dan komen we aan de Vosjacht, dan zult u nog eens wat anders zien.'' De burgemeester glimlachte. „Zoo," zei hij, „en zou je denken, dat we die zien konden ?"

„Wat, mijnheer?"

„Die vossejacht."

„De Vosjacht ? Wel, mijnheer, wij rijden er zoo meteen pal naast; met storm slaat 't water soms over den dijk." De burgemeester keek den koetsier eens even opmerkzaam aan. Neen, hij merkte toch niets abnormaals aan den man. Het rijtuig sloeg den hoek om en even later