is toegevoegd aan uw favorieten.

Oude glossen en hun beteekenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meer lijkend op Noorsche of Deensche zijn de runen op een derde voorwerp, dat uit een terp bij Britsum te voorschijn kwam : een houten latje, met een inscriptie, waarvan de beteekenis zoowel als de ingekraste letters nog raadselachtig zijn. Het kan « iets van magische aard » wezen, en dus geen woorden vormen, « die een bepaalde beteekenis hebben », evenals de inscripties op de slangvormige beenen amulet, bij Lindholm in Schonen gevonden, en op een houten lansschaft bij Kragehül op Fünen (i).

Dit « runen denkmal » hebben anderen getracht zin te geven : 't Friesch, niet Noorsch, werd gelezen en vertaald (2) als een amuletspreuk (3), en wel :

... bïrid mi (n. n.) draagt mij

pinïabër draag altijd deze

ët düd lïd daarin deugd ligt.

Geheel anders is een latere uitleg; waarbij de op de dwarszij staande teekens niet met de andere worden vermengd; wat juister is. 't Wordt van een ander begin af gelezen als :

« Jd! nïa bereht- (= praeclarus) dud[ma]n (angehöriger eines gefolges) birld mi.

De op de dwarszij gelezen lid (4), van de onderzij bekeken, als runen « liu : leeuw », te expliceeren, kunnen een bovengeschreven, of later ingevulde eigennaam wezen; zoodat 't wordt

« Liu, Jrï nïa bereht dudman b!rïd mï. »

(1) Boeles, die wimmer aanhaalt, in Bulletin van den NederlanJschen Oudheidkundigen Bond, 1906, 52 vv.; met autotype.

Vgl. dezelfde inden Nederlandschen Spectator, 1906, n° 18.

(2) Door Bugge, in Zeitschr.f. Deutsche Philologie, XL, 174 vv.

(3) Amuletten uit hout: vgl. E. H. Meyer, Mythologie, 86.

(4) Dat Boeles nóch Wimmer mee-'.azen of ontcijferden.