is toegevoegd aan uw favorieten.

Oude glossen en hun beteekenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

marrubium « hunae 1 biouuyrt » (i) marubium « biowyrt 1 hune » (2)

marubium c hune > (3), dat ook heet marubium « harehune » (4)

marubium « harhune » (5)

dat in 't Nieuwengelsch zou zijn hoarhound, en aanduiden marrubium vulgare, en ballota nigra.

Het oudhoogduitsch elleborum nigrum « hu°nisch wurz vel schterwurz » (6) brengt verband tusschen deze ' hun ' in 't Angelsaksisch en Nederlandsch, al verscheelt ' mar(r)ubium ' en ' elleborum nog al van elkaar.

Ongetwijfeld hebben planten vaak verschillende namen, en wordt in verschillende streek dezelfde naam vaak aan onderscheiden planten gegeven. Geen botanische, maar vaak uiterlijke kenteekenen, en dezelfde

(1) Epinal-Erfurt Glossary, 657 (VII' eeuw), bij Sweet, Oldest English 7'exts, p. 78 ; Schlutter e. a. plaatsen 't later, in de IX' eeuw, zie Anglia, XXXIV (1911), 268.

(2) Corpus Glossary, 1289 (VIII' eeuw), bij Sweet, a. w. p. 77.

(3) Wright-Wülcker, Anglo-Saxon and Old-English Vocabularies, kol. 271, 17, uit de Xie of Xlde eeuw.

(4) Uit de XI" eeuw, bij Wright-Wülcker, a. w. kol. 298, 6. Dit Vocabulary heeft nog een toevoegsel : nomina herbarum grece et latme r « this explains why there are so many repetitions of the same plant > zegt de uitgever. En werkelijk komt hier in kol. 299, 23 voor :« prassion, hune. »

(5) Uit de XIe eeuw, bij Wright-Wülcker, a. w., kol. 323, l.

(6) Steinmeyer Sievers, Althochdeutsche Glossen, III, 592a ; verg. ook III, 102, 11 : Elleborum nigrum, sitti w2z. Een « hunisca » staat ook achter < bedullacia >, III, 486, met Steinmeyer'S opmerking :: « unklar »! (vgl. bedullatica wentelisca, Ahd. GlIII, 5®4)' Terwijl III, 49, 11 voorkomt : hune frasia huntwurz. (Vgl. ook E. Bjorkmann, Die Pflanzennamen der Alihochdeutschen Glossen in Zeitschrift für deut' sche Wortforschung, III (1901), 363-307; 370 ; verderbt, ratselhaft). — En vooral Max HöFLER, Volks me diz in ische Botanik der Germanen (1908), S. 82-86.

Ook voor andere planten.

Verder: von' Fischer-Benzon, Althochdeutsche Gartenjlora (1900).