is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag betreffende de enquete naar de toestanden in de ambachts- en nijverheidskunsten, gehouden door de daartoe door de Nederlandsche Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst benoemde commissie voor den artistieken eigendom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid, dat de namaker de onkosten van proeven en ontwerpen enz. niet behoeft te betalen.

Een dergelijke concurrentie is moeilijk te verdedigen en de ontwerper is het meestal die het eerst de gevolgen ondervindt. (Zie ook verder § 8).

Cb. MIDDELEN TER BESTRIJDING.

§ 8. WENSCHELIJKHEID VAN WETTELIJKE REGELING.

Wij zijn thans gekomen aan de middelen ter verbetering, waarvan de wettelijke regeling het eerst ter sprake komt. De vraag: "Acht gij een wettelijke bescherming van den artistieken eigendom van ambachts- en nijverheidskunst gewenscht?" wordt door alle nijverheidskunstenaars toestemmend beantwoord.

Het antwoord is van den een meer klemmend dan van den ander, wordt door den een met meer vertrouwen dan door den ander neergeschreven. Blijkbaar wordt in allen gevalle de bestaande toestand absoluut onvoldoende geoordeeld.

Uit de volgende vragen, speciaal 15 e.v, waarvan de beantwoording meer nauwkeurig in TABEL I te vinden is, blijkt dat de beantwoorders in hoofdzaak drie middelen bespreken, welke onder het tegenwoordig recht mogelijk zijn, te weten: organisatie van kunstnijveren, het sluiten van contracten met fabrikanten, het gebruik maken van de bestaande wet op de handels- en fabrieksmerken.

Voor de Commissie de deugdelijkheid dezer middelen nagaat wil zij even in 't algemeen het voor en tegen van wettelijke bescherming onder de oogen zien.

De Commissie meende, dat als argumenten tegen een wettelijke beperking slechts het volgende in aanmerking kon komen.

1. De vrijheid van ontwikkeling van de kunstindustrie zou door een dergelijke beperking van namaak aan banden worden gelegd. Men zou de jongere beoefenaars afschrikken om nieuw werk te scheppen, wanneer deze zich telkens moeten afvragen of zij zich niet op verboden terrein wagen.

Zoo uitgesproken is het bezwaar stellig overdreven.

De menschelijke geest is wel zoo verscheiden dat ieder zelfstandig ge-