Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bedaard hoorde Leonardus haar aan. „Ik moet bekennen," antwoordde hij, „'t is vreeselijk, wat gij mij verhaalt ; maar geen angst voor wat gevaar ook, geen liefde voor wien ook zal mij bewegen mijne kudde te verlaten. Neen, dat doe ik nimmer, al zou ik er ook bloed en leven bij inschieten." En toen de Watergeuzen reeds voor de stad lagen, en Leonardus zich in den burcht terugtrok, vroeg hem een Katholiek: „Maar pastoor, waarom vlucht gij niet in zulk een groot gevaar?" — „Hoe zou ik vluchten," antwoordde hij, „daar ik pastoor ben?" — „Maar op u vooral hebben zij het gemunt; in geweten moogt ge nu toch voor uwe veiligheid zorgen." — „Ik weet wel, dat vooral de priesters en de zielzorgers door de Geuzen worden gezocht, maar ik vrees, dat ik door mijne vlucht alle hoop op het behoud der stad bij de anderen zal wegnemen. Alle burgers houden het oog op mij gevestigd; wisten zij, dat ik mij verwijderde, dan zouden allen den moed laten zinken." En hij bleef, ofschoon hij een zeer goede reden had om af te reizen, want juist in die dagen verwachtte men hem te Leuven, om hem tot het licentiaat in de godgeleerdte bevorderen. Maar op den te Leuven bepaalden dag wachtte men hem tevergeefs, juist op dien dag had hij eene andere kroon verworven, de nog veel eervoller kroon van het martelaarschap.

vergist, ofschoon het feit zeer waar is. In den nacht van den 25sten April 1572 zijn de Geuzen in de pastorie van den eerwaardigen Petrus Jansens, Norbertijn, niet van Berne, maar van Tongerloo, en pastoor van Haaren bij Tilburg, ingebroken, hebben hem den neus en het rechteroor afgesneden, en toen hij zijn geloof niet wilde verzaken, maar luide riep, dat hij voor de waarheid van het Evangelie zijn leven wilde opofferen, werd hem wreedaardig het hoofd afgehouwen. De moordenaars lieten een stuk papier achter met de woorden: Dit hebben de geusen van den Briel ghedaan. Dertien jaren later was het bloed, dat over den vloer stroomde, nog te zien. Cfr. Fr. G. v. d. Elsen. Iets over de Gesch. van de H.H. Mart. v. Gorcum. (De Katholiek. D. 88. blz. 59.)

Sluiten