Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat Staats-monopolie niet alleen wil zeggen opheffing van alle concurrentie, maar ook het in de onderhavige bedrijven verdwijnen van „coulance" waarvan het gemis tal van procedures tengevolge zal hebben, hetgeen een perspectief geeft van een droeve caricatuur van loyaal verzekerings-systeem;

dat men bij het Staatsbedrijf geheel afhankelijk zal zijn van de willekeur en de opvatting van ambtenaren, hetgeen bij de Rijksverzekeringsbank (om een enkel voorbeeld te noemen) blijkens vonnis van den Centralen Raad van Beroep d.d. 18 April 1916, tengevolge heeft gehad, dat tal van oud-spoorwegbeambten onrechtmatig verstoken zijn gebleven van de ouderdomsrente, bedoeld bij art. 369 resp. 370 der Invaliditeitswet;

dat, indien de staat optreedt als eenig verzekeraar tegen brandschade en op het leven, geen vakvereeniging meer aan hare leden een uitkeering bij overlijden of een pensioen zal mogen verzekeren - wel een uitkeering bij werkloosheid! - en derhalve de goedkoope wijze van verzekeren, die voortspruit uit het samenbrengen van dezelfde risico's (personen, die denzelfden werkkring hebben), zooals zulks bijv. geschiedt bij de levensverzekering-maatschappij van het Ned. Onderw. Genootschap, zal vervallen; ook zullen philantropische en maatschappelijke instellingen, die gesteund worden uit de winst eener levensverzekering-maatschappij, zooals het geval is bij de Maatschappij „Aurora", door invoering van het Staatsverzekeringsbedrijf van dien steun beroofd worden;

dat een tot leniging van den financieelen nood der tijden geschapen Staats-exploitatie — men dient zulks niet uit het oog te verliezen — tot verhooging van premien zal moeten doch feitelijk niet zal mogen leiden, wijl het eischen van hoogere premien een benadeeling zou zijn der toekomstige en een verlies voor de overgenomen verzekerden of voor de Staatskas.

Immers de toekomstige verzekerden zouden in hun sluitkracht

Sluiten