Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

!e Voorzienigheid, die bij iedere wieg eene moeder plaatst, had tot dusver de godsdienstige vorming van den knaap, dien zoo verheven toekomst wachtte, grootendeels aan vrouwen

toevertrouwd. Thans was de ure gekomen, dat mannen met de voortzetting harer edele taak zouden belast worden, en evenals de vrome vrouwen, die wij reeds leerden kennen, zouden ook deze ware uitverkorenen Gods zijn.

Petrus was omstreeks vijftien jaar, en moest nu grootere wijsheid aanleeren dan zijne vaderstad hem destijds bieden kon. In den winter van 1535 op 36 verliet hij dus het aloude Nijmegen en zag weldra den trotschen Dom van Keulen, in welks schaduw hij thans zou gaan wonen, voor zich oprijzen.

De aartsbisschoppelijke stad, zoo bekoorlijk zich in een halven cirkel langs den Rijn uitstrekkend, verdiende in die dagen niet ten volle het dichterlijk woord van Vondel: Men ziet de zon van Rome in Keulens halvemaen. *)

Ook boven haar, zooals wij spoedig zullen zien, dreven donkere wolken van ketterij, en onderschepten ten deele het licht, dat van Petrus' Stoel over haar afstraalde. Maar Canisius was door zijn verstandigen vader gewezen op de gevaren, uit het toen zoo loszinnig leven der studenten, en vooral uit de vleierij en de verleiding der ketters voortspruitend, en hij, die reeds onder het veilig dak van het ouderhuis zoo bezorgd was geweest voor zijne deugd, gevoelde ongetwijfeld thans nog grooter bekommernis. De liefderijke Voorzienigheid evenwel bleef ook hier over hem waken. In zijn leermeester der redekunst, Nicolaas van Esche, een heilig priester van Ois') Keulen. De Werken van Vondel door v. Lennep. VI. blz. 104,

Sluiten