Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 1393.

690. Eene vordering tot teruggaaf van noodzakelijk gedane uitgaven op negotiorum gestio gegrond, behoort die uitgaven behoorlijk te specificeeren. — Rechtb. Rotterdam 28 September 1891; W. 6117; Mb. Dw. VII, 10.

691. Uit een door een derde gedane betaling van successierecht, die blijkbaar is geschied met de bedoeling om in het belang van den erfgenaam te handelen en waarbij die derde zelf hoegenaamd geen voordeel kan hebben, vloeit voor den erfgenaam de wettelijke verplichting voort om dien derde deswege schadeloos te stellen. — Rechtb. Amsterdam 21 Juni 1888; W. v. N. R. 987; P. v. J. 1888, 111.

692. Voor de toe wijsbaarheid der actie van dit artikel wordt vereischt, dat men de zaak heeft waargenomen voor iemand, die zelf daartoe niet in staat is. — Rechtb. Amsterdam 11 Juni 1895; P. v. J. 1895, 101.

693. Uit art. 1418 j" 1393 B. W. volgt, dat de notaris, die den koopprijs aan den verkooper heeft voldaan, gerechtigd is, dien koopprijs van den kooper terug te vorderen. — Kantong. Arnhem 12 Juni 1895; W. v. N. R. 1331; P. W. 8758.

694. Hoewel de ambtenaar ten wiens overstaan eene verkooping van roerend goed wordt gehouden, aan de overeenkomst zelve geen actie tot betaling tegen den kooper kan ontleenen, zoo moet toch worden aangenomen, dat deze ambtenaar, als hij voor den kooper aan den verkooper betaalt, de zaken des eersten waarneemt en op grond daarvan uit kracht van dit artikel van den kooper het voor hem betaalde kan terug¬

vorderen. — Rechtb. Roermond 10 Februari 1898; W. 7165.

695. Wanneer een persoon verklaart vast goed aan vijf andere personen te verkoopen en den koopprijs met andere financieele verplichtingen te willen verrekenen, en vier van de vijf koopers verklaren dien koop aan te nemen en die verrekening goed te keuren, mede namens den vijfden niet tegenwoordigen kooper, dan is er zaakwaarneming der vier eerstbedoelde koopers ten bate des vijfden. De aldus tot stand gekomen overeenkomst is dus, ook voor wat aangaat de toestemming des vijfden koopers perfect, zoodat later de verkooper of zijne rechtverkrijgenden de ongeldigheid der overeenkomst op grond van het ontbreken dier toestemming niet zullen kunnen beweren. Wel zal de vijfde kooper zelf, voor wat hem betreft, de ongeldigheid der overeenkomst kunnen bewijzen. — Hof Arnhem 4 Februari 1903; W. 7909; W. v. N. R. 1734; Not W. 197.

Art. 1395.

696. Mr. J. C. Naber. De begrippen „condictio" en „repetitio". — Them. LIII, 2.

697. C. J. Pekelharing. Terugvordering van vermogensvermeerdering zonder oorzaak naar Nederlandsch recht. — Ac. Pr. Utrecht 1897. Aangek, in R. M. XVII, 318.

698. Mr. J. N. Nap. Art. 1395 B. W. Toelichting en rechtspraak. — Them. 1903, 114.

699. Hetgeen krachtens een gewijsde is betaald, kan, indien later het bewijs wordt gevonden, dat de betaler niets schuldig was, niet in rechten worden teruggevorderd. — Rechtb. Middelburg 7 April 1886; W. 5354.

Sluiten