Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoeft daarom nog niet per se eene schenking te zijn. — H. R. 27 April 1899, concl. conf.; W. 7272; P. v. J. 1899, 36; W. v. N. R. 1537; N. R. CLXXXI, 531; v. d. H., B. R. LX V, 196.

2778. Waar geen wettige verplichting bestond tot betaling van meer dan het overeengekomen loon, is de onverplicht afgelegde belofte om meer dan dat te betalen, ook al was de aanleiding daartoe dankbaarheid voor genoten diensten, voor wat dat gedeelte betreft als eene schenking te beschouwen. — H. R. 3 Februari 1899, concl. conf.; W. 7239; W. v. N. R. 1532.

2779. Indien iemand aan een derde een geldsom ter leen geeft met beding, dat die derde het geleend geld aan de vermoedelijke erfgenamen van den uitleener zal moeten teruggeven en die vermoedelijke erfgenamen treden onmiddellijk, althans vóór den dood des uitleeners, tot dat ten hunnen behoeve gemaakt beding toe, dan is er geen schenking in den zin van dit artikel. Immers de hier bedoelde aan den vorm onderworpen schenkingen, zijn overeenkomsten tusschen schenker en begiftigde, den laatsten een vorderingsrecht verschaffende tegen den eersten, terwijl in genoemd geval de bevoordeelden geen vordering tegen den bevoordeelaar verkrijgen, maar uitsluitend tegen den derden leener van het geld. — H. R. 30 April 1897; W. 6961; P. v. J. 1897, 42; W. v. N. R. 1435; T. v. N. XV, 1; N. R. CLXXV, 408.

2780. Hoewel kwijtschelding niet per se een schenking daarstelt, zoo zal toch de persoon die het tegendeel beweert, dat moeten bewijzen. — Rechtb. Groningen 8 Mei 1896; P. v. J. 1896, 50. (Zie verder nos. 1844—1846, Deel II en no. 2797 hierna.)

2781. Er is eene schenking, wanneer eene bedongen contrapraestatie in de verste verte niet opweegt tegen de waarde van hetgeen zou zijn overgedragen. De akte, zoodanige handeling constateerende, moet dus, wil de handeling niet nietig zijn, notarieel worden verleden. — Verm. Tiel 3 April 1909; W. v. Not. 238; P. W. 10285.

Art. 1706.

2782. Het voorbehouden van vruchtgebruik van geschonken zaken, ook roerende, — derhalve de schenking niet van vollen, maar van blooten eigendom, o. a. van effecten, — is bij dit artikel, behoorende tot de algemeene bepalingen omtrent de schenkingen, uitdrukkelijk geoorloofd verklaard, zonder dat de giften van hand tot hand worden uitgezonderd van dit verlof. Wel wordt hierbij gezegd, dat dan de bepalingen van den titel, waarvan art. 807 B. W. deel uitmaakt, moeten worden in acht genomen, maar uit deze verplichting kan alleen volgen, dat, als zij niet wordt vervuld, geen zakelijk recht van vruchtgebruik aan den schenker verbleef, geenszins echter dat de door hem gedane schenking nietig zou zijn. — H. R. 30 April 1897; W. 6961; P. v. J. 1897, 42; W. v. N. R. 1435; T. v. N. XV, 1; N. R. CLXXV, 408.

Tweede Afdeeling.

Van de bekwaamheid om bij wege van schenking te beschikken en voordeel te genieten.

Art. 1715.

2783. Mr. R. W. J. C. de Menthon Bake. Het schenkingsverbod van art. 1715 B. W. — R. M. XX, 113.

2784. H. S. Iets over de levensverzekering in verband met de verboden

Sluiten