Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

recht heeft op de contra-praestatie. — Rechtb. 's-Gravenhage 30 Maart 1911; W. 9183; W. v. Not. 314.

Art. 1302.

832. Mej. mr. Henriette G. Veth. Ontbindende voorwaarde of wanpraestatie. — W. v. N. R. 2150.

833. Eene vordering tot ontbinding kan niet met eene exceptio non adimpleti contractus worden afgeweerd. — Hof Amsterdam 26 Maart 1909; W. 8956; Rechtb. Utrecht 29 December 1909; W. 9139. (Zie nos. 249—252 Deel III.)

834. Partijen mogen bij overeenkomst bepalen, dat eene verbintenis bij nietnakoming zonder 's rechters tusschenkomst zal zijn ontbonden. — Rechtb. Tiel 20 Juni 1909; W. 8963; W. v. N. R. 2107. (Zie nos. 254-259 Deel III.)

835. Van ontbinding eener wederkeerige overeenkomst zonder tusschenkomst des rechters kan slechts sprake zijn wanneer die overeenkomst dit ondubbelzinnig inhoudt, dus niet, wanneer er alleen in voorkomt, dat bijv. „wangedrag" een grond tot ontbinding zal zijn. — Hof Amsterdam 16 April 1909; W. 8990.

836. Voor de vordering tot ontbinding der overeenkomst is noodig, dat de schuldenaar in gebreke zij die verbintenis na te komen. — H. R. 28 Januari 1910, concl. conf.; W. 8971; P. v. J. 1910, 928; N. R. CCXIV, 77.

837. Wanneer iemand bij ééne overeenkomst eene zekere hoeveelheid waren koopt, in drie termijnen te leveren en dan in gebreke blijft de eerste partij te ontvangen en te betalen, dan is de in die overeenkomst stilzwijgend begrepen ontbindende voorwaarde vervuld en kan

mitsdien de verkooper de ontbinding der geheele overeenkomst vorderen. — Rechtb. Rotterdam 17 Maart 1910; W. 9126.

838. Ingeval de ontbinding eener overeenkomst wordt gevorderd op grond van meerdere op verschillende tijdstippen gepleegde wanpraestaties, moet iedere beweerde wanpraestatie op zich zelf worden onderzocht, en dat wel in de tijdsorde, waarin zij zouden zijn gepleegd. — Hof Amsterdam 18 Maart 1910; W. 9039; W. v. Not. 270.

839. Niet-ontvankelijk moet worden verklaard de vordering tot ontbinding eener overeenkomst, die door levering, aanvaarding en betaling geheel is uitgevoerd, juist ten aanzien van dat deel der overeenkomst ten opzichte waarvan de beweerde wanpraestatie zou zijn gepleegd. — Hof Amsterdam 22 Januari 1909; N. M. v. H. XXI, 170.

840. Wanpraestatie in de vervulling eener wederkeerige overeenkomst heeft hare ontbindende werking eerst dan, wanneer de rechter op grond dier wanpraestatie het vonnis van ontbinding heeft gewezen. Die ontbindende werking heeft dus geen plaats, wanneer de rechter gebruik maakt van de bevoegdheid, hem bij art. 1302 B. W., al. 4 toegekend. — Rechtb. Maastricht 6 April 1911; W. v. N. R. 2181.

841. Door te bedingen dat het gekochte bij niet-voldoening aan de gestelde voorwaarden, zou mogen worden terugge- • zonden, hebben partijen wel iedere actie tot schadevergoeding wegens niet-voldoening van het geleverde uitgesloten, maar blijft ongerept des koopers recht om bij onvoldoende levering ontbinding der overeenkomst te vorderen met schadevergoeding, voorzoover de schade niet

Sluiten