Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben destijds grond verkocht in verband met de toenmaals algemeen gehuldigde politiek. Yoor Indië is het geen vraag; wil de gemeente daar grond hebben dan moet zij die koopen of van het rijk krijgen.

De instelling van Nu doet zich een moeielijkheid voor. Als een gemeente grond koopt, zal

het grondbedrijf. ^ an(jers dan door middel van eene leening kunnen geschieden, waarvan dus rente en aflossing moeten worden betaald. En nu is het bezwaar, hoe zal men de uitgaven voor die rente en aflossing, dewelke gewone uitgaven zijn, kunnen dekken. Nu is grond een object van blijvende waarde d.w.z. terwijl men op een huis en alle producten van menschelijke werkzaamheid moet afschrijven is dit bij grond niet het geval. Men zou dus voorloopig van aflossing kunnen afzien, in allen gevalle er een heele lange termijn voor kunnen nemen. Dit is dan ook niet het moeielijkste van het probleem, maar wèl de betaling van de rente. De vraag is toch of uit de opbrengst van de aangekochte landen zoo lang zij niet zijn bebouwd, voldoende vergoeding wordt ontvangen om de rente te kunnen betalen.

Er is nog een bezwaar. Als men koopt gronden aan den omtrek eener stad, betaalt men meer dan de cultuurwaarde !), omdat de kooper wel weet, dat in een afzienbare toekomst de waarde van dien grond stijgen zal, doordat hij binnen de grens der gemeente komt te liggen. Als dus de gemeente begint grond te koopen aan de grens, betaalt zij meer dan de gekapitaliseerde rente of m.a.w. meer dan wat de grond bij verhuring zou opbrengen en moet dus het verschil jaarlijks bijgepast worden. Op den duur komt dit wel terecht, maar jarenlang heeft dan toch het huidige geslacht een last te dragen waarvan de voordeelen eerst door de nakomelingen genoten worden. En daarom ziet men dan vaak af van den aankoop.

Deze bezwaren heeft men weten te ondervangen door de instelling van het grondbedrijf. Men brengt de gekochte gronden in, in eene stichting, een zelfstandige tak van administratie, die gemakshalve kan beschouwd worden als een afzonderlijke rechtspersoon, die tegenover en in relatie met de gemeente staat. De gemeente nu staat aan het grondbedrijf figuurlijk 2) de gronden af, en het grondbedrijf neemt aan over de waarde dier gronden te betalen het bedrag van de aflossing en rente van de leening, die daarvoor moet worden gesloten. Intusschen, waar de ingebrachte gronden in den regel geen behoorlijke rente opbrengen, zal het „grondbedrijf" voor de gecontracteerde betaling, middelen te kort komen. Daarom heeft men een tusschenschakel ingevoegd; voorzoover n.1. het grondbedrijf niet uit eigen middelen die rente en aflossing kan betalen, leent de gemeente geld aan het grondbedrijf, waarover dit aan de gemeente rente betaalt. Nu is de veronderstelling waarvan men uitgaat bij de berekening van het bedrag van laatstbedoelde rente dat, als na jaren de gronden zullen worden verkocht, zij voldoende in waarde zijn gestegen, om alle geleende gelden terug te kunnen betalen.

Stellen wij ons voor dat in het grondbedrijf is ingebracht grond ter waarde van f 1.000.000, waarvoor een leeningschuld aan de gemeente is aangegaan

') D.i. waarde als bouwgrond voor den landbouw. ') Men zou kunnen zeggen voor de leus, formeel.