Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men kan ten aanzien van het inkomen de volgende onderscheidingen of tegenstellingen maken:

1°. in privaat en publiek inkomen. Het privaat inkomen is dat der private personen, het publiek inkomen dat van publieke lichamen tegenover het inkomen der staatsburgers. Daarbij denke men aan de tegenstelling tusschen onze maatschappij en de socialistische gemeenschap. Terwijl bij deze direct afzondering plaats heeft van wat voor de algemeene productie noodig is, vloeit bij gene een deel van het privaat inkomen via de individuen en d.m.v. belasting in de staatskas.

Een 2°. onderscheiding is die tusschen bezits- en arbeidsinkomen. Zie pag. 43 en 58.

Een 3°. die tusschen inkomen in geld en dat in natura. Zie pag 60.

Een 4°. tusschen bruto- en netto-inkomen. Het bruto-inkomen vormen de inkomsten, waarvan men moet afzonderen eene vergoeding voor de in de productie gebruikte goederen van anderen aard, waarna overblijft het inkomen dat verbruikt wordt zonder achteruitgang. Dit laatste wordt wel eens vergeten en men betaalt vaak zoolang men nog maar ontvangsten heeft, zonder voor de noodige reserve zorg te dragen.

Deze tegenstellingen en onderscheidingen zijn duidelijk. In Duitsche leerboeken wordt vaak gesproken (5°.) van gebonden en vrij inkomen. Men betoogt, dat het inkomen hetwelk strekken moet tot bevrediging onzer behoeften, voor een deel wordt aangewend voor de noodzakelijke, de „existenz"-behoeften, en eerst als deze zijn vervuld, de andere behoeften aan de beurt komen; uit dat „existenz"-minimum nu, zou de staat niet zijne inkomsten mogen betrekken, en daarom noemt men het gebonden. Dit is echter een eisch van vrij verre strekking, want de voorwaarde van een laag „existenz"-minimum wordt nergens bevredigd. Toch heeft men de stelling van vrijlating van dit minimum opgevolgd bij de regeling der directe belastingen, waarbij een zeker minimum, daargelaten of dit al of niet te laag is, onbelast is gelaten. Intusschen houdt men dien eisch van vrijlating in de praktijk niet vol, omdat men dan ook de indirecte belastingen zou moeten opheffen: immers bij eene zoutbelasting is het gebonden inkomen toch ook belast. Vandaar de eisch tot opheffing van belastingen op eerste levensbehoeften.

Eene 6°. onderscheiding is die in nominaal en reëel inkomen, waarbij men vasthoudt aan het denkbeeld dat geld alleen de vorm is die het inkomen heeft aangenomen, maar onder reëel inkomen wordt verstaan alleen wat ter consumptie aanwezig is. Zie pag. 60. En dan is het van groote beteekenis dat reëele verhoogingen van meer belang zijn dan nominale verhoogingen. In een bepaald land kan men reëel hooge, maar nominaal lage salarissen hebben. Nog beter is het er gesteld, als de nominale zoowel als de reëele loonen hoog zijn. In dat opzicht is merkwaardig het resultaat van een onderzoek naar arbeidstoestanden in Engeland, Frankrijk en Duitschland ingesteld. Daar dit onderzoek niet volledig geweest is, hechte men er geen al te groote beteekenis aan en beschouwe het resultaat slechts als aanknoopingspunt. Neemt men voor Engeland den standaard 100, dan zijn de uui'loonen in Frankrijk 75, in Duitschland 64. De arbeidsduur is echter in Engeland korter en daarom verhouden zich de looncijfers, dit in aanmerking genomen, feitelijk als 140 : 111: 117, terwijl de weekloonen zich verhouden als 100 : 83 : 75. Let men daarnaast op het bedrag noodig

Verschillende onderscheidingen.