Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voegde hij haar toe: „Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen." [De joden noemden n. 1. de heidenen honden]. Maar, de vrouw antwoordde: „Ja, Heere, doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kmimkehs der kinderen. ' Toen zeide Jezus: „O, vrouw, groot is uw geloof; u geschiede gelijk gij wilt." En haar kind werd gezond in diezelfde ure.

Waarheen ging Jezus en waarom volgden hem velen?

Wat zeiden de discipelerf, toen het avond werd?

Wat antwoordde Jezus op hun raad?

Hoeveel brooden en visschen hadden zij ?

Wat heeft Jezus toen gedaan?

Welk wonder deed Jezus in den nacht?

Welk wonder deed Jezus aan eene heidensche vrouw?

Waar was dat en welk geprek had Je?us met haar?

Tekst: Johannes 6:35.

Leeren: Psalm 111 : 3; Gezang 64 : 1.

Les 18. Petrus' belijdenis; Jezus' verheerlijking en reis naar Jeruzalem.

Johannes 6:66—69; Mattheus 16:13—21; 17 ; l 20;

Lucas 9:52—56; 17:11—19.

Jezus was altijd van velen omringd. De meesten volgden hem echter meer om de wonderen dan om hem zeiven. Toen hij dan ook in Kapernaum hen bestrafte om hun ongeloof, keerden velen zich af. Jezus was hun te ernstig en gestreng. Hierop vroeg hij den twaalven of zij ook niet wilden heengaan. Maar Petrus zeide: „Heere, tot Wien zouden wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Zoon des levenden GodSi" — Later heeft Petrus dit nog eens beleden. De Heere vroeg n. 1. wie men zeide, dat hij was. Zij antwoordden, dat men hem hield voor Johannes den Dooper of Elia of een der profeten. Daarop vroeg hij: „Maar wie zegt gij, dat ik benP" Toen sprak Petrus: „Gij zijt de Christus, de Idenb., N. T.

Sluiten