Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Apostelen zouden al spoedig- den marteldood sterven. Bovendien konden zij, zelfs tijdens hun leven, niet overal tegelijk tegenwoordig zijn. Zij hadden derhalve reeds tijdens hun leven medehelpers noodig, die hen zouden terzijde staan, en na hun dood het begonnen werk zouden voortzetten.

Door wie moesten die medehelpers worden aangesteld? Door Christus? Maar Christus verkeerde, na zijn hemelvaart, niet meer zichtbaar op de wereld. Mochten zij wellicht eigenmachtig als bestuurders van Gods Kerk optreden? Veel minder nog! Dit immers zou de grootste verwarring stichten en de ondergang der Kerk zijn. Wettige zending is noodzakelijk. Daarom schrijft Paulus: „Quomodo vero praedicabunt, nisi mittantur"? „Hoe zullen er prediken, indien zij niet gezonden worden ? Rom. X, 15. Niet alleen in de leer moeten de geloofsverkondigers met de Apostelen overeenstemmen, maar zij moeten ook door de Apostelen of hun wettige opvolgers aangesteld en gemachtigd worden. Wij zien dan ook, dat de Apostelen andere mannen uitkiezen en met de zielzorg belasten. Zoo werden Timotheüs en Titus met de bisschoppelijke waardigheid bekleed en uitgekozen, om een gedeelte van Gods Kerk te besturen. De eerste Bisschoppen, door Petrus en de andere Apostelen aangesteld, moesten op hun beurt in hun eigen rechtsgebied of bisdom weer ondergeschikte priesters in hun arbeid te hulp roepen. „Daarom heb ik u, zoo schrijft Paulus aan Titus, te Creta achtergelaten, opdat gij datgene, wat nog niet is, gelijk het behoort, in orde zoudt brengen en de verschillende steden van priesters voorzien, gelijk ik u ook (mondeling) gelast heb . I, 5. Hieruit volgt, dat de bestuurders der Kerk wettige opvolgers der Apostelen moeten zijn. Daarom schrijft Paulus aan de Ephesiërs: „Gij zijt medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods, opgebouwd op het fondament der Apostelen en Profeten, zijnde de hoeksteen Jezus Christus zelf, in wien het gansche gebouw, samengevoegd wordende, opwast tot een heiligen tempel in den Heer". II, 19.

Op het kenteeken der apostoliciteit beroepen zich de oudste schrijvers. In de 3de eeuw schrijft Tertulliaan tegen de ketterij: „Welaan, toont ons den oorsprong uwer kerken, de orde en opvolging uwer Bisschoppen tot aan de Apostelen,

Sluiten