Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weg baande tot hoovaardij, onafhankelijkheidszucht en ongeloof, handhaafde de Katholieke Kerk het door God ingestelde leergezag, waardoor zij den menschelijken geest, zonder krenking zijner waardigheid, in nederige onderwerping houdt, tegen eigenwaan, en ook tegen eigen zwakheid beschermt, tegen ongeloof vrijwaart.

Tegenover de begeerlijkheid des vleesches handhaafde de Kerk de sacramenteele waardigheid, de eenheid en onverbreekbaarheid des huwelijks; daarom ook sprong zij steeds in de bres voor de heiligheid der huwelijkswet tegen al de koele berekeningen van tijdelijke belangen, tegen al de drogredenen der nieuwere wetenschap.

En om haar kinderen te wapenen in den moeilijken strijd tegen de hartstochten, predikt zij de versterving, ook de onthouding van sommige spijzen, de nederigheid, de onthechting aan den rijkdom. En wijl zij altijd Jezus Christus, als het toonbeeld der christelijke volmaaktheid, voor oogen heeft, spoort zij haar kinderen aan, door de beoefening der evangelische Raden naar hooger volmaaktheid te streven !).

De Protestanten verwijten aan de Katholieke Kerk, dat zij met haar uitwendige werken van gebeden, kerkelijke plechtigheden, vasten, enz., een werkheiligheid beoefent, die beleedigend is voor de verdiensten van Christus, en innerlijke godsdienstigheid verwaarloost.

Alleen kwade trouw of onwetendheid kan zoo iets beweren. De Kerk leert immers, dat de verdienstelijkheid der goede werken de vrucht is van de verdiensten van Christus. Door de katholieke leer worden derhalve de verdiensten van Christus niet verduisterd, maar integendeel in het volle licht geplaatst. Evenmin wordt door de katholieke leer over de noodzakelijkheid der uitwendige goede werken de innerlijke godsdienstigheid verwaarloosd. De Kerk immers, die met Christus de noodzakelijkheid der uitwendige goede werken leeraart, leert ook met denzelfden goddelijken Meester, dat hun waarde afhankelijk is van de innerlijke gesteltenis van den persoon,

') Hierover wordt gehandeld in de 41e les. Zie HettWer. Apologie, V, S. 303.

Sluiten