Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEEL II.

Opmerkingen over Calvijn's verklaring van Gen* 311 en 3 114 en 15*

Het kan niet ontkend worden, dat de Reformator van Genève in zijn commentarius in Genesin (= uitlegging van Genesis) de slang van Gen. 3 als een dierlijke, natuurlijke slang beschouwt. Maar, ofschoon wij in eerbied voor den uitlegger Calvijn voor niemand wenschen onder te doen, toch zal er wel geen enkele Gereformeerde uitlegger wezen, die zal durven beweren, dat in alle opzichten bij de uitlegging van elk gedeelte van het Woord Gods Calvijn zoo heeft uitgelegd, dat voor een min of meer van hem afwijkende verklaring nergens ruimte meer zou gelaten zijn. Daarom oordeelen wij, dat we niets te kort doen aan 't respect voor Calvijn in zijn hoedanigheid van Bijbelverklaarder, wanneer wij van zijn uitlegging van Genesis 3:1 en 3 :14 en 15 afwijken en eenige opmerkingen omtrent zijn verklaring van die Schriftgedeelten hier laten volgen. En te meer geeft ons daartoe vrijmoedigheid wat Calvijn zelf, zij het al, dat hij het eenigszins anders bedoelt, zegt: „Maar hier doen zich vele en lastige vraagstukken voor."

Het trekt n.1. onze aandacht, dat Calvijn, die in 't algemeen wel terdege rekening houdt met de analogia scripturae, toch in het onderhavige geval aan die Schriftovereenstemming weinig of geen recht laat wedervaren. Niettemin was Calvijn zich zeer wel de moeilijkheid omtrent de verhouding van de slang van Gen. 3 en den Satan bewust, maar hij gaat op die moeilijkheid te weinig in. Evenwel mag men niet vergeten, dat Calvijn zegt: „Nog is echter de kwestie niet opgelost, waarom Mozes den naam van den Satan heeft verzwegen". Hij bedoelt hier, dat het nog in zijn tijd een vraagstuk was, waarom in Gen. 3 Satan's naam niet vermeld wordt. En daaraan voegt Calvijn het in deze zaak, opmerkingswaardige woord toe: „Ik onderschrijf gaarne het oordeel van degenen, die leeren, dat de Heilige Geest toen (n.1. in Mozes' tijd) met opzet van duistere vormen heeft gebruik gemaakt, omdat het noodig was, dat het volle en duidelijke licht tot in het koninkrijk van Christus werd uitgesteld". Calvijn wil dus zeggen, dat het volle en heldere licht omtrent de slang van Gen. 3 eerst in het Nieuwe Testament zou komen. Men lette daar opl

Wanneer Calvijn de vraag, waarom de Satan de slang gebruikte, even onder de oogen ziet, en dan ten antwoord geeft: „Daar hij nog geen gemeenschap met de menschen had, bekleedde hij zich met de gedaante van

Sluiten