Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch natuurlijk, met deze definitie zijn we nog lang niet van alle moeilijkheden af! Want we dienen ons er nu verder over te bezinnen, waarop dat getuigenis in ons hart dan al zoo betrekking heeft: Alleen op het feit der Goddelijkheid van de Schrift? Of ook, hoe die Schrift door inspiratie dat Goddelijke karakter ontvangen heeft? Ziet 't voorts slechts op enkele hoofdwaarheden des heils of op den ganschen omvang? En beperkt 't zich uitsluitend tot den inhoud, of strekt 't zich ook uit tot den vorm, tot de Schrift als schrift?

Ge begrijpt, we kunnen hier slechts aanstippen! En waarschijnlijk zult ge 't dan na eenig zelfonderzoek met ons eens zijn, dat het getuigenis des Geestes ons niets verzekert aangaande de wijze, waarop de Schrift haar Goddelijk, gezaghebbend karakter erlangd heeft — dat moeten we uit haar eigen inhoud opmaken. Maar wel gewordt ons daardoor de stellige overtuiging: „ze is mij persoonlijk het Woord Gods. Ik beluister er Zijn levende stem in"1).

En dat beseffen we ongetwijfeld 't meest ten aanzien van de kern der Schriftuurlijke Godsopenbaring, nl. de zekerheid des heils, de toezegging van ons genadig kindschap, de beloften van verlossing en verzoening, de heerlijkheid van den persoon van Christus,

*) cf. Dr. H. Bavinck, Geref. Dogmatiek3 I, bl. 640: „Het eenige, waar het getuigenis des H. Geestes betrekking op heeft, is de divinitas" (haar Goddelijkheid).

Sluiten