Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aller dingen. Leg gerust al uw moeilijkheden, al uw problemen neder voor den Troon van Hem, die Zijn zon laat schijnen over boozen en goeden, die regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen ; en meen niet in iemands voorspoed een teeken zijner vertkiezing te zien; zeg nooit: „de man, 'dien 't wel gaat is Gods kind;" laat nimmer een gevoel van nijd of wangunst uw ziel binnensluipen en met zijn doodekjk gif vervullen.

De boer uit onze gelijkenis is rijk, idoch juist zijn rijkdom wordt hem een bron van zorg en kommer. „Wat zal iki doen?" vraagt hij zich peinzend ~ af. Het woord van Jacob: „Ik ben geringer idan al deze weldadigheden en dan al deze tnou|w,: die Gij aan uwen knecht gedaan hebt" (Gen. 32 : 10), dat woord bestaat voor hem niet. De juichtoon van den psalmist: „Loof dënj Heere, mijne ziel, en vergeet geen van Zijne weldaden" (Ps. 103 :2') vindt geen weerklank! in zijn hart. Geen aandacht voor Jobs, getuigenis (1':21): „Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, naakt zal ik daarhenen wederkeeren. De Hleere is het die geeft, de Heere is het die neemt, de Naam des Heeren zij ten allen tijde geloofd." Terwijl deze waarschuwing van den profeeet Jeremia (17 : 11) hem ten eenenmale onbewogen laat: „Gelijk een veldhoen eieren vergadert, maar 'broedt ze niet uit, alzoo is hij die rijkdom vergadert, doch niet met recht; in de helft zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn) laatste zal hij een dwaas zijn." |11$1P'

^,Wat zal ik doen?" dat is de eenige vraag die hem beangst, (Hoe zal ik mijn buitenkansje tot mijn voldoening en mijn) bevrediging aanwenden? Hoe zal ik mjjn rijkdom bewaren, beschermen? jWaar zal ik mijn vruchten, mijn rijken oogst nog vedig bergen?"

In onze dagen zou niemand daarover behoeven te tobben. Nu zou men eerder zijn hoofd martelen met de vraag: „Hoe zal ik mijin geld beleggen? Waar koop ik sohede fondsen, die mij geen parten spelen? Waar vind ik huizen, die niet aan groote vermindering in waarde en sterke daling onderhevig zijn? Hoe straks te ontkomen aan.het treurig lot der nieuwe armen?" Maar in de dagen van den Heere Jezus was de berging van een rijken oogst inderdaad een moeilijk probleem. Oj> een kooper moest worden gewacht. Tegen het voortvretend bederf moesten maatregelen worden genomen. Op afdoende bescherming tegen dieven en roovers moest men bedacht zijn. Kan de man, die van den eenen dag óp den anderen leeft, zich wel eenig begrip vormen van de zorgen des rij'kdom's ? Zou hij de slapelooze nachten'.

Sluiten