Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als een schrijver wist dat niemand lezen zou wat hij schreef, dan zou hij hoogstwaarschijnlijk met zijn schrijven ophouden. Maar als we nu schrijven over het bestaan van God, wat willen we dan bereiken? Willen we degenen, die niet aan een God gelooven, omzetten tot geloovigen? En willen we dat doen met een betoog? Meenen we dan zoo gemakkelijk een ander te kunnen leiden tot het licht? Denken we dan, dat ooit door redeneering het geloof kan worden opgebouwd? Achten wij het mogelijk met het verstand op te klimmen tot God?

En dan ook nog dit: wij spreken in onzen titel van „een levend God".

Het is niet genoeg, te weten dat er een of andere onpersoonlijke macht is, waaraan men den Godsnaam geeft en waaraan men misschien goddelijke eer bewijst Maar ons hart heeft behoefte aan den levenden God, die zich met ons inlaat, tot Wien wij naderen kunnen, met Wien persoonlijk, levend contact mogelijk is. En kunnen wij nu wel ooit iets zeggen over het wezen van God? Ook al konden wij het bestaan van een bovenaardsche, alles voortbrengende, alles dragende Macht aannemelijk maken — zouden we dan toch niet moeten zwijgen, zoodra het er om ging te zeggen wat het wezen was van die wondere macht? Ge hebt natuurlijk wel eens van den Griekschen denker Simonides gehoord, die aan een koning zeggen moest wie God was. Hij vroeg een dag bedenktijd en daarna twee dagen. Toen die om waren vroeg bij drie dagen bedenktijd en zoo al langer en langer —

Sluiten