Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Toon nnj Uwe heerlijkheid." Doch God zeide: „Gjj zoudt mün aangezicht niet kunnen zien, want mq zal geen mensch zien en leven."

Ja, het zien van Gods aangezicht is niet mogehjk zonder te sterven, innerhjk te sterven. De weg des doods is de weg ten leven. Er moet zooveel, ik zeg niet verzwakken, teruggedrongen worden, beperkt worden, maar zooveel, wat nu leeft, moet gaan in den dood. Zooveel, wat wü ook gaarne levend willen hebben en houden. Inde woestijn moet de weg des Heeren worden gebaand en in de wildernis een baan voor onzen God worden gemaakt. En daartoe moeten steenen worden weggewenteld en weggeruimd, steenen, die ons, helaas! na aan het hart liggen, steenen van boezemzonden; zü moeten stuk en zü moeten weg, opdat de Koning der waarheid kome.

Hebben wü wel oog voor het kruis van onzen Heiland? Is door dat kruis de zonde van ons veroordeeld? Hebben wü zoo het kruis öegrepen, neen, hebben wü zoo het kruis firegrepèn, neen, heeft het kruis ons zoo gegrepen, dat wü in waarheid met den gekruisten Christus zün gekruist? Dat wü één plant met Hem zün in de gehjkmaking Züns doods en nu ook één plant met Hem kunnen zq'n in de gehjkmaking Züner opstanding? Zie, dat dagelüksch sterven, met Jezus Christus, sterven ons zeiven, sterven om in nieuwheid des levens te wandelen, dat is onze weg; dat zij onze weg; dat worde onze weg steeds beslister ook in het nieuwbegonnen jaar en daarom bidden wü, met het oog op onszelven, op onze heiligmaking, op de taaiheid van onze zondelust en zondeliefde, op de grootheid van onze zwakheid en de kleinheid van onze kracht, daarom bidden wü om de komst van het Koninkrük van den Heer en om de komst van den Heer van dat Koninkrük.

Sluiten