Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus evenwel heeft God volkomen verheerlijkt. Beide in Zijn leven en in Zijn dood.

Zijn spijze was, te doen den wil Desgenen, die Hem gezonden had, en Diens werk te volbrengen. Hij kon zeggen tot de Joden: „Ik doe altijd wat Hem welbehaaglijk is." Daarom kon Hij dienzelfden Joden de vraag stellen: „Wie van u overtuigt mij van zonde?"

Aan het graf van Lazarus bad Hij niet alleen: ,Vader 1 ik dank U, dat Gij mij gehoord hebt", maar Hij voegde nog daaraan toe: „Doch ik wist, dat Gij mij altijd hoort; maar om der schare wil, die rondom staat, heb ik dit gezegd, opdat zij zouden gelooven, dat Gij mij gezonden hebt." En terstond na deze woorden verheerlijkte Hij Zijn God en Vader, door Lazarus uit het graf op te wekken. Van stap tot stap heeft de gehoorzame Zoon in Zijn omwandeling Zijn Vader verheerlijkt. „Zijn rieken was in de vreeze des Heeren."

Na Zijn God in Zijn wandel hier beneden volkomen verheerlijkt te hebben, heeft Christus in Zijn dood God op het hoogst verheerlijkt, terwijl Hij tegelijkertijd ons heil bewerkte. Toen de Heer in den kleinen kring Zijner geliefde discipelen sprak over de overgave van Zijn leven, uitte Hij deze woorden: „Nu is mijne ziel ontroerd; en wat zal ik zeggen? VaderI verlos mij uit deze ure? — Maar daarom ben ik in deze ure gekomen. — Vader! verheerlijk uwen naam!" En de stem van den Vader antwoordde uit den hemel, zoodat sommige menschen aan een donderslag en weer anderen aan het woord eens engels dachten: „Ik heb hem verheerlijkt en Ik zal hem wederom verheerlijken."

De verheerlijking van God, den Vader, door Christus, den Knecht Gods, geschiedde dus èn in het leven èn in den dood. Zooals het door den Heer Jezus Zeiven uitgedrukt wordt in Zijn gebed tot den Vader: „Ik heb U verheerlijkt op de aarde; ik heb voleindigd het werk, dat Gij mij gegeven hebt om te doen."

Over den dood des Heeren wordt een heerlijk getuige-

Sluiten