Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat Hij alleen de Zaligmaker is, die komen zal om de levenden cn de dooden te oordeelen, de boozcn te straffen en de goeden te beloonen. Zij gelooven dit alles als waar en onomstootelijk zeker — en echter, hun geloof is dood; het kan niet zalig maken.

Nog meer, dat dood geloof geeft zich zelfs het voorkomen alsof het zalig maakt. De Apostel beschrijft de mensehen, die hij op het oog heeft, als dezulken, die zeggen, dat zij het geloof hebben. Waarom zeggen zij dat? Zij hebben daarmede toch een zeker doel. En welk ander doel kan dit zijn, dan dat zij u de verzekering willen geven, dat zij datgene bezitten, wat tot zaligheid noodig is? Zij willen niet, dat gij hen rekent onder de ongeloovigen, die verloren gaan. Zij willen geteld worden bij het volk Gods, dat door hel geloof behouden wordt. En opdat hierover geen twijfel besta, verklaren zij, dat zij het geloof, dien wortel van alle heil in Christus bezitten. Ja, velen verklaren dit niet alleen met deze enkele belijdenis, maar ook door hunne gedragingen. Zij voegen zich bij de schare, die regelmatig opgaat naar het huis des gebeds. Zij sluiten zich aan tot de gezelschappen, die bijzonderlijk tot opbouwing in het geloof bestemd zijn. Zij stellen zich daar soms zelfs aan de spits, worden voorgangers der overigen, rijzen voor veler oog als pilaren der gemeente op en geven in hun spreken en gedragen genoeg te kennen, dat zij zich van de zaligheid, die door het geloof is, onbetwistbaar verzekerd achten. En evenwel is het helaas, maar al te dikwijls het geval, dat men met regt vragen mag : Wat nuttigheid heeft dit alles ? kan dat geloof zalig maken? Waarom ? Zijn zij dan schandelijke bedriegers, gewetenlooze huichelaren. Dat juist niet, M. H. ! Of ja, bedriegers zijn zij, maar eigenlijk nog meer bedrogenen, die door eene heiilopze zelfbegoocheling zich misleiden. Zij hebben een geloof; zulks is niet te ontkennen: maar zij bekennen het zich zeiven niet, dat dit geloof niet genoeg is tot zaligheid. Zij hebben veel, maar er is één ding dat hun ontbreekt en zij komen maar immer niet tot het besef, dat juist dat één? tot zaligheid noodig is. Zoo zijn zij tevreden met hetgeen zij hebben, niet erkennende dat het alles te zamen nog niets is, met betrekking tot de behoudenis der ziel. En in die tevredenheid zich zeiven behagende, bij het gezigt op het vele dat zij hebben, houden zij het oog bestendig afgewend van die ledige plaats, waar juist datgene gemist wordt, wat tot zaligheid onontbeerlijk is en dat wij straks zullen noemen.

Maan waaraan is het dan te weten, dat dit geloof, m weerwil van al die luisterrijke vertooningen, onnut is? De Apostel

Sluiten