Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft, zal, als hij dat ziet, over u misschien het hoofd schudden en zeggen: »Deze bekeering is de ware niet, want zij «geschiedt in eigene kracht." Maar gij, antwoord daarop : «Gewis, in eigene kracht, maar die mij ten eigendom gewor»den is, omdat God ze mij gegeven heeft." En ga daarmede gerust uws weegs en bekommer u niet te veel over betgeeu de menschen onder elkander voor bekeering gelieven te houden of niet.

Hoe kon het anders mogelijk zijn, dat een Goddelooze zich door zoo vele netten, strikken en vijandelijke heirlegers heen, den doortogt baande? Want wat staat hem daartoe al niet in den Weg! Wij spraken/ van den duivel en zijne listige aanslagen; wij spreken thans van de wereld met hare begeerlijkheden, en van het wereldsgezinde hart, hetwelk van nature zoo zeer hunkert naar den zoeten beker der wereldsche vergiften. Ach! met' hoe vele en met hoe sterke banden is de ziel van den zondaar niet aan die duizendjjpl en uitwendige afgoden gebonden! Dat alles te laten varen, wat het oog streelt en het hart zoo bekoort, dat heeft wat in. Wat staat het leven in de vreeze Gods daar dor en eenzaam tegenover! Welk een ruil voor dat zinnelijke pronk-, praal- en genotzieke hart! En dan een leven, waarin men ook hoegenaamd niets voor zich zeiven behouden mag. maar het alles overgeven moet, zijn roem, zijne eer, zijn leven zelfs, om niets te worden, opdat een ander buiten mij alleen alles zij, namelijk God! O, hoe natuurlijk is het, dat het hart zich uitput in duizend philosophiën om te bewijzen, dat het leven der wereld niet geheel en al te veroordeelen, en dat het leven Gods wel wat overdreven is! Opdat men dan regt hebbe als een verstandig mensch den zoogenaamden gulden middelweg te houden, in de hoop van Belial niet al te zeer te zullen ergeren, en Christus .niet al te zeer te zullen vertoornen!

En toch, daar blijft niet anders over dan deze groote ontzaggelijke keuze te doen. Het gaat nu eenmaal niet, de wereld en Christus beide aan te hangen. Ja sterke, teedere, innige banden moeten soms mededoogenloos verscheurd worden ; want het gekit hier het leven der ziel voor eene nimmer eindigende eeuwigheid. Maar er is toch ook veel dat die keuze bevorderen kan. W ie een weinig oogen heeft om le zien, bespeurt toch al ligt, dat die gansche heerlijkheid der wereld slechts een dun pleister is over een graf vol doodsbeenderen; slechts een loos bloemtapect over eenen bodemloozen afgrond. Duizend- en duizendmaal, haars ondanks, in zoo vele ziekten, bij zoo vele sterfbedden, in zoo vele rampen en ellenden, die jong en oud treffen, roept de

Sluiten