Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vervolg van dit geschrift, althans eenig niet geheel onvoldoend antwoord op die vraag te geven.

Ware de staat van zaken, ten aanzien van het Qpdsdienstige, in ons Vaderland nog dezelfde als vóór het jaar 1795, het gezochte antwoord was gereedelijk te vinden. Men had dan slechts den weg te volgen, door de Hervormde Geestehjkheid, in vroegere dagen, meermalen met gewenscht gevolg ingeslagen, door namelijk zijne bekommeringen voor de Hooge Overheid open te leggen, ten einde deze , door een streng verbod, de pogingen der zendelingen van het Roomsche Hof mogt tegengaan. De geschiedenis van het voormalige Gemeenebest der vereenigde Nederlanden levert hiervan verscheidene voorbeelden op. Om slechts één te noemen, leze men 'tgeen bij wagenaar, Vad. Hist. XV. D. bl. 385—388, te vinden is omtrent het plakaat van den jare 1687, waarbij de Staten den Jezuiten, Franciscanen, Dominicanen en anderen Monniken het verblijf hier te lande ontzeiden. Doch deze weg is, door de tegenwoordige orde van zaken in ons Vaderland , voor de Protestantsche Geestelijkheid gesloten. Verre zij van mij de wensch, om, door de herstelling van eene heerschende Godsdienst, dien weder geopend te zien. Integendeel juich ik, van ganscher harte, het echt Christelijk beginsel van verdraagzaamheid toe, volgens 't welk de Staat aan alle Godsdienstige geloofsbelijdenissen, die voor zijne rust en welvaart niet schadelijk te achten zijn, gelijke be-

Sluiten