Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar, Mijnheer van Koetsveld, dat is niet de zaak in kwestie; er werd hier niet om goed- of afkeuring der vaste gevraagd; zelfs al was de vaste der Phariseën bepaald slecht, omdat zij met slechte bedoelingen geschiedde, de Heer kon daarover zwijgen, want de eenvoudige vraag was: waarom vasten uwe leerlingen niet ? De leerlingen konden immers vasten zonder de gebreken der Phariseën daarbij te voegen. Op deze vraag nu antwoordt de Heer met de vérzekering, dat de leerlingen later zullen vasten, terwijl Hij tevens de redenen opgeeft, waarom zij het nu niet deden. Dg. van Koetsveld begrijpt dit niet, en zegt: »Zonder dus het vrijwillig vasten stellig af te keuren — hij zelf had immers veertig dagen en veertig nachten gevast in de woestijn — schreef Jezus reeds in de bergrede voor, dat hij die het zich zei ven oplegt, of door diepen ootmoed en godsdienstige afzondering er toe gedrongen wordt, bet voor de menrchen verbergen zal, zich het hoofd zalven en het aangezicht wasschen." ') Mij dunkt, als Jesus voorschriften geeft, hoe men vasten moet, dan ligt daarin toch wel eene goedkeuring der vaste. Heeft de Heer van Koetsveld het regt om daaruit slechts af te leiden, dat de Heer het vasten niet stellig afkeurt? Wat zou hij over mij oordeelen, indien ik, zijn voorbeeld volgend, een ander woord uit de bergrede ald,us mishandelde: //Zonder dus het vrijwillig gebed stellig af te keuren — Hij zelf had immers meermalen gebeden — schreef Jesus reeds in de bergrede voor, dat hij die het zichzelVen oplegt in zijn slaapvertrek binnentrede en de deur sluite"? — Gaarne erken ik, dat ik niet de minste verschooning in dit geval zou waardig zijn, want Rome's donkere mijngangen verblinden mij niet; zij verlichten mij.

1) Blz. 161.

Sluiten