Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons op n.1. „Hoe hebben wij te denken over den Sabbat"? Ik meen, dat daar de schrijver de cerémonieele wet, de wet van Mozes en de zedewet, de wet Gods, heeft zamen gekneed en gewrongen, en dan zegt: „Wij zijn niet onder de wet", die vraag overbodig is. Als de wet Gods, n.1. de Tien Geboden, niet meer verbindend is voor den Christen, dan natuurlijk ook niet het gebod van den Sabbat, tenzij alleen om een beschuldigd geweten tot stilling te brengen. O, Schrijver! Voorganger eener gemeente Gods, bedenk toch, dat gij dubbel rekenschap hebt te geven van hetgeen gij zegt en openbaar maakt. Gij zegt, dat „Gedenkt" dat woord n. 1. „Gedenkt" toont aan, dat wij hier te doen hebben met een gebod, welks grond in het verleden wordt aangewezen. Ik zeg, het toont aan wat er bij staat n.1. „Gedenkt den Sabbatdag, dat gij dien heiligt enz., evenals „Gedenkt Uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap" enz. Gods Woord is zeer duidelijk; laat het ons maar nemen, zooals het gegeven wordt, en niet aan 't knoeien gaan. Terwijl gij, schrijver, dezen sprong hebt gewaagd, bevindt gij U op een terrein, als iemand die een eersten stap heeft gedaan op den weg der zonde. De bewijzen, die gij aanvoert, zijn even onduidelijk als onwaar. Ik lees verder, dat wij gevoelen, dat het zegenen en heiligen, dat in het rusten Gods zijn grond vindt, niet bereikt is door een lichamelijk mets doen. - Dat gevoelen wij misschien door Uw schrijverij, maar niet door Gods Woord. Gods Woord immers zegt „Den zevenden dag zult gij geen werk doen: gij, noch uw zoon, noch uw dochter enz.". Dus ik meen wel te rusten door een lichamelijk niets doen, gelijk U het beliefde te betitelen. God bedoelt: Zes dagen te arbeiden voor ons brood, en den Zevenden dag te rusten. Leest U het nog maar eens goed.

Het is, zoo als gij schrijft zeker „opmerkelijk", dat in 21 brieven van de apostelen geene vermaning is om den Sabbat te vieren. De Sabbat werd gevierd door de apostelen en door alle Christenen, hoe wilt gij nu eene vermaning daartoe vinden? Als er een schrijver was geweest in dien tijd, zooals gij, dan voorwaar zou er eene vermaning gevonden kunnen worden.

Ik moet U betuigen, waarde Heer van Meebloo, dat de Sabbat mij nog nooit een last is geweest gedurende de 14 jaren, dat ik dien gehouden heb, en dat te midden eener omgeving van nietSabbatvierders. Ik meen, dat ik in het midden der tegenwoordige maatschappij ook, wat den arbeid betreft, niet stil heb gezeten, werkende met knechts, en timmerende „aan den weg", en voor vele patroons, maar toch niet den Sabbat verzaakt. God heeft getoond dat, waar wij Hem dienen, Hij het wel zal maken.

Sluiten