is toegevoegd aan je favorieten.

De blijvende Heer daarboven (naar aanleiding van Romeinen 8

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Broeders ouderlingen en diakenen! Namens uwe beide colleges heb ik, terstond nadat ik beroepen was, een zeer warm en dringend schrijven ontvangen, den wensch uitdrukkende dat ik komen mocht. Nu hier ben ik dan! Ontvangt mij met welwillendheid, en laat ons elkander steunen en helpen. Wanneer gij het oudvaderlijke bevestigingsformulier eens naleest, op welks vragen gij allen wel bevestigend geantwoord hebt, zult gij niet te klagen hebben dat er voor u niets te doen is in de gemeente. Laat ons gemeenschappelijk werken zoolang het voor ons dag is, en bij al den arbeid die ons wacht de schoone zinspreuk van ons kerkelijk zegel niet vergeten: „Laet u tlam leyden."

Predikanten dezer gemeente, waarde ambtgenooten! De geschiedenis verhaalt ons dat de Leidsche leeraren in vroegere eeuwen het nog al dikwijls met elkander oneens waren, en uwe voorgangers hebben destijds aan Magistraat en Prins menige moeielijkbeid berokkend. En ook nü nog vormt gij, wanneer men op onze theologische schakeeringen let, in menig opzicht een „gemengd gezelschap." Doch, wat nood ? Eén hoogepriester was er in Israël, met vele en velerlei priesteren. Eén Hoogepriester is daar in het geestelijk Israël, en Hij heeft vele en velerlei dienaren. Onze verhouding tot Hem bepale ook onzen onderlingen omgang, en de mate onzer vertrouwelijkheid met elkander. Maar laat ons dien omgang dan ook verder door geene „bijzaken" belemmeren! Ik hoop dat wij het steeds zóó druk met de geestelijke belangen dezer gemeente zullen hebben, dat wij nooit voor „persoonlijke" kwestietjes tijd zullen vinden, die aüoos van den Heer afleiden, en gewis ook onzen arbeid in zijnen wijngaard schade doen. Gij kent de spreuk: „éénheid in het noodige, vrijheid in het twijfelachtige, liefde in alles." Die spreuk is ook uit mijn hart gegrepen, evenals die andere: „ik verdoem niemand, in wien ik iets van Christus vinde." Ach, wie onzer, ook al staat hij, (gelijk niet anders dan betamelijk is), op den grondslag van onze Kerk en hare belijdenis, zal het durven beweren dat hij de schoonheid des Heilands ten voüe verstaat? Laat dan de een meer bizonderlijk den nadruk' leggen op de rechtvaardiging , waarin de heiligmaking is opgesloten, de ander prijs stellen op eene volledige uiteenzetting der Gereformeerde leerbepaüngen, een derde het gemoedelijke en mystieke element, een vierde de betooning des geloofs in het practische leven op den voorgrond plaatsen, een ander weer zich met voorliefde wijden aan het kerkelijk