Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een moed en zulk een vertrouwen op Hem geven, dat men soms alles aandurft. „Zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?" (Rom. 8 ! 31).

En zoo zegt ook het volk in dezen psalm: „Daarom zullen wij niet vreezen, al veranderde de aarde (hare plaats), en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën.

Want werkelijk is dat zoo: de gansche aarde zou omgekeerd kunnen worden, de schepping Gods zou weer als in een chaos omgewenteld kunnen worden — en nochtans zouden staande blijven, en niet omkomen, wien God ter hulpe is. Want God is meer dan alle geschapene dingen.

En nu wordt hier 't gewoel en geweld der vijanden vergeleken bij 'trazen der elementen. En er wordt van die zeeën gezegd: „Laat hare wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren door die verheffing der wateren, die er tegen aan bruisen" — en dan volgt 't woord Sela, om te kennen te geven, dat hier de toon van muziek en zang in overeenstemming moet zijn met dat (in goeden zin) uitdagen van de macht des vijands — immers, hoe machtig de aanrollende wateren der vijandelijke heirscharen alles mogen doen daveren — „de beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods."

Welk een machtige en tevens lieflijke tegenstelling. Daar komen de vijanden aanbruisen als opgezweepte golven der zee, als wateren van Tigris en Euphraat. Maar rustig ligt daar de stad Gods, die veilig die schokken kan afwachten.

Gelijk eertijds Eden besproeid werd door wateren, als een lusthof verblijd door de wateren der beek Silóah, die zachtkens gaan (Jes. 8 : 6.), beeld van de gunste Gods over haar.

Laat de vijand als bruisende wateren tegen de stad Gods aankomen — zij zal blijdschap hebben uit de beekjes der rivier, die door haar heen stroomen en die van Gods gunst getuigen. Die wegen wel op tegen de geweldige wateren.

„De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoog sten". En daar ligt de sterkte van de stad Gods: dat God er zijn woningen heeft. „God

Sluiten